
Het tij
Ik wandel het strand op. Naar mijn man, die diepe geulen in het zand graaft. Grote schep in zijn hand. Geen kind in de buurt. En dus geen dekmantel. Puur therapeutisch, zo zegt hij zelf. Met een verontschuldigend: raar hè? er achteraan. Ach, zolang het niets te maken heeft met andere vrouwen, geen bakken met geld kost of teveel ruimte in huis inneemt (er doemt een beeld van een zolder vol modeltreintjes op), vind ik het prima. Grap ik.
Bovendien vind ik niets meer raar. Mijn gehandicapte dochtertje zou ‘een rare’ zijn, volgens de standaard. Ja, volgens wie eigenlijk? Gaan mijn gedachten verder. En ineens heb ik weer zo’n momentje waarin het lachen overgaat in dat zware gevoel. Mijn ogen beginnen te prikken. Het is waarschijnlijk datzelfde gevoel waarmee mijn man die schep in de grond blijft steken. Steeds maar weer, met volle kracht. Alsof we vandaag nog in China uit moeten komen.
We kijken samen naar het eindresultaat. Diepe geulen in het vlakke zand. Hebben onze armen om elkaar heen geslagen. Zien hoe de zee langzaam alles weer weg spoelt. Tot het water uit de geulen weer opgaat in de oneindige zee.
‘Jammer,’ verzucht mijn man. ‘Mwahh,’ antwoord ik. ‘Het tij keert gewoon weer. Dat is alles.’ Mijn man besluit ter plekke dat hij morgen weer naar het strand gaat, om te graven. Het lucht op. Ik vind het prima, maar nu eerst een ijsje. We sjokken hand in hand het strand weer af. De schep sleurt achter ons aan, door het zand. Aan het spoor dat we zo achterlaten, kun je precies zien waar we hebben gelopen.
Comments (0)