Gelezen: ‘Een leven moet ook klaar mogen zijn’

gelezen2Ik las een prachtig stuk in Vrij Nederland: een indrukwekkend interview van journaliste Els Quaegebeur met bijzonder hoogleraar Langdurige Zorg, Anne-Mei The. Zij is verantwoordelijk voor de website ‘Dementie Verhalenbank’, die we je van harte willen aanraden. Neem even de tijd voor dit artikel (leestijd 20 minuten) of bewaar deze link voor later…

Ze is bezig ‘Dementees’ te leren: de taal van dementerenden. ‘Hun taal is heel emotioneel. Er is geen sociaal-maatschappelijke zeef meer.’ Met haar Dementie Verhalenbank wil cultureel antropoloog Anne-Mei The de tragiek van dementerenden naar buiten trekken.

Anne-Mei The is jarig op de dag van het tweede gesprek voor dit verhaal. Vijftig wordt ze, vertelt de cultureel antropoloog en bijzonder hoogleraar Langdurige Zorg en Dementie aan de Universiteit van Amsterdam in haar kantoor op de bovenste verdieping van een huis aan het Amsterdamse Vondelpark. Het is de vestiging van haar bedrijven De Werkvloer Centraal, Tao of Care en de stichting Dementie Verhalenbank, alle gericht op cultuurverandering binnen de langdurige (ouderen)zorg.

Ze kreeg die ochtend in alle vroegte ontbijt op bed van haar twee dochters van elf en dertien (The is gescheiden en woont samen met haar vriend, oud-minister van Volksgezondheid Ab Klink). De meisjes deden haar nieuwe schoenen cadeau. De paren die ze zelf aanschaft, zijn niet hip genoeg, was de boodschap. The strekt haar benen in keurige dameslaarzen onder de tafel. ‘Vanochtend lag ik bij mijn jongste dochter in bed en dacht: Jezus ja, ik ben echt over de helft. Dat is toch een raar idee. Ik moet wel zorgen dat ik leuk blijf, en dan niet leuk in de zin van botoxen, maar leuk om mee om te gaan. Niet teveel zeuren. Op je oude dag moet je het van je relaties hebben, daar moet je bijtijds in investeren.’

Anders kijken en luisteren
Anne-Mei The kan het weten. Het einde van het leven houdt haar bezig vanaf het begin van haar carrière in 1991. Sinds een paar jaar is ze bezig ‘Dementees’ te leren: de taal van dementerenden en wat daarachter schuilgaat. The, oudste dochter van een Nederlandse moeder en een Chinese vader, weet er al aardig weg mee. Beter dan de meesten van ons in elk geval. Deels komt dat door de twee jaar die ze begin van deze eeuw doorbracht op de psycho-geriatrische afdeling van een verpleeghuis voor een antropologisch onderzoek.

Foto: Annaleen Louwes
Foto: Annaleen Louwes (Vrij Nederland)

Terugkijkend vindt ze dat ze zich destijds te weinig heeft verdiept in de bewoners. Ze richtte zich meer op de verzorgers en hoe hun werk beter kon. Nu heeft The de neiging nogal streng te zijn voor zichzelf. Wie In de wachtkamer van de dood leest,The’s boek uit 2005 over haar bevindingen daar, zal het juist opvallen hoe onverschrokken zij zich in de dagelijkse gang van zaken stortte, waarbij ze eerlijk toegeeft hoe eng ze het vond in het begin, tussen zestig bejaarden die zich zo anders gedroegen dan ze gewend was van oude mensen. Niet alleen luisterde en keek The nauwkeurig wat er gebeurde, ze voerde ook vla, hielp met wassen en lag wakker van een ongelukkige mevrouw die weigerde te eten omdat ze terug wilde naar een thuis dat niet meer bestond. Bovendien was het juist de bedoeling van het onderzoek dat er zinvolle aanbevelingen uit zouden rollen voor de verzorgers in verpleeghuizen.

De komende jaren gaat The anders kijken en luisteren. Vandaar dat ze op een woensdagochtend vroeg aan de koffie zit bij Ingrid van Delft, een kwieke dame van tachtig uit Amsterdam-Zuid. Mevrouw Van Delft verloor in 1991 haar vijfentwintig jaar oudere echtgenoot aan Alzheimer na een ziekteproces van meer dan tien jaar. De meeste van die jaren verzorgde zij hem zelf, gewoon thuis, zoals zoveel partners van dementerenden. De meeste van die jaren was dat zwaar. Elke dementerende is uniek, elk patroon van aftakeling ook maar wat overeenkomt, is het ploeteren. Van niet meer weten hoe het koffiezetapparaat werkt tot ’s nachts doodsbang gillend door het huis dwalen omdat het begrip van dag en nacht verdwenen is, tot het definitieve moment dat de mantelzorg niet meer toereikend is en iemand naar een verpleeghuis moet.

Dagelijkse tragiek
Ingrid van Delft schreef een boek met portretten van dementerende ouderen die ze ontmoette op de afdeling van haar man: Wanneer is hier de tijd voorbij. Daarin is veel aandacht voor hun taal, met letterlijk geciteerde monologen. Het bedenksel ‘Dementees’ is dan ook van haar. Dat klinkt bijvoorbeeld zo: ‘Als ik nou maar wist waar m’n bed was. Ik wil graag naar bed. Weet ik ook niet meer. Ik denk: dat is mijn bed. Mijn zwager was erbij. Hij zegt: ja, dat is jouw bed, Henk, ga maar rustig slapen. Ik kijk op…en ’t is weg! Mijn bed was zomaar weg! Heeft de benen genomen. Was mijn bed niet zeker. Weet jij waar mijn bed is? Dat bed staat klaar, dat wéét ik. Ik moet langer nog kijken zeker. Kijken? Kijken? D’r valt niks te kijken. Dat is ’t ’m juist. Je wil gaan kijken, maar je weet het niet.’

‘Het ziet ernaar uit dat ik graag iets van een misplaatst nutgevoel koester.’

Van Delft vertelt The hoeveel ze heeft geleerd over de belevingswereld van dementerenden door goed te luisteren. ‘Hun taal is heel emotioneel. Er is geen sociaal-maatschappelijke zeef meer, maar je kunt hun geschiedenis eruit halen, al is het nog zo summier.’ The knikt, glimlacht en stelt vragen met een gevoel voor timing waar menig journalist wat van kan leren. Ze laat zich geen moment afleiden, ze zit niet aan haar haar te frunniken, haar iPhone ligt niet op tafel.

Het verhaal van mevrouw Van Delft is voor de Dementie Verhalenbank die The met haar relatief nieuwe vakgroep en met zorgorganisatie De KwadrantGroep in het leven riep. Dementerenden, hun naasten en professionele zorgverleners komen daar aan het woord over hun dagelijks leven. Zo wil The ‘de dagelijkse tragiek achter de voordeur’ van dementerenden en hun mantelzorgers de komende jaren naar buiten trekken, het daglicht in. Voor iedereen te zien die vroeg of laat ook te maken zal krijgen met dementie, in het eigen hoofd of in dat van iemand van wie ze houden.

Dementie-tsunami
De kans daarop is ontzettend groot, als we de overheid mogen geloven. Die kondigde in 2013 een ‘dementie-tsunami van vijfhonderdduizend mensen in 2050’ aan. Een rampenplan dat weerstand moet bieden is ook meteen uitgerold: het Deltaplan Dementie, met een flinke nadruk op vroegdiagnostiek en de van hoop doortrokken maar nog onsuccesvolle zoektocht naar een biomedische oplossing: dé dementiepil als redder in de nood voor de honderdduizenden vergrijzers in aantocht. Anne-Mei The zal – we kloppen het af – 85 jaar zijn in 2050.

Heeft u iets geregeld voor wat tegenwoordig zo opgewekt de derde levensfase heet?
‘Nee. Ik heb geen euthanasieverklaring en geen niet-behandelverklaring. Een goed pensioen heb ik eigenlijk ook niet, want als vrije ondernemer fluctueert mijn inkomen nogal. De laatste tijd komt er genoeg binnen, dus sinds kort zet ik elke maand wat opzij voor later en ik heb een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten. Dat had ik ook lang niet. Al met al ben ik er wel iets meer mee bezig dan vijf jaar geleden. Jij?’ (Wedervragen stellen doet The onophoudelijk. Als je niet uitkijkt, ontfutselt zij jou je halve levensverhaal in plaats van andersom.)

Foto: Annaleen Louwes
Foto: Annaleen Louwes (Vrij Nederland)

Leest u de overlijdensberichten in de krant? 
‘Tegenwoordig niet meer zo vaak, maar in het begin van mijn loopbaan, toen ik onderzoek deed naar de rol van hoop bij terminale longkankerpatiënten, altijd. Ik spelde ze echt uit.’

Waar zocht u naar?
‘Naar de nagedachtenis, denk ik. Wat blijft er van iemand bewaard? En dan niet in religieuze zin. Het gaat mij om de betekenis die iemand had. In overlijdensberichten zie je toch vaak iets terug van hoe nabestaanden denken en voelen over de dode. Als ik wegval, hoop ik dat ik mijn kinderen iets heb meegegeven waarmee ze vooruit kunnen. En in mijn werk hoop ik dat ze zullen zeggen dat ik aan een aantal inzichten heb bijgedragen die zinvol bleken voor een grote groep mensen. Het ziet ernaar uit dat ik graag iets van een misplaatst nutgevoel koester.’

Waarom misplaatst?
‘Nou ja, het nut van één iemand is meestal van voorbijgaande aard, toch? Uiteindelijk verdwijnt het naarmate er meer jaren en generaties voorbij trekken.’

Auto’s verkopen
Lang hield The zichzelf voor dat haar fascinatie voor aftakeling en dood toevallig ontstond na haar studies rechten en culturele antropologie. Via een studentassistentschap in Groningen rolde ze een antropologisch onderzoek in over de sociale context van euthanasiebeslissingen. Dat bleek haar op het lijf geschreven. Of zoals zij zegt: ‘Ik heb altijd de behoefte gevoeld me met fundamentele vraagstukken bezig te houden; ik zou geen auto’s kunnen verkopen of een bloemenwinkel runnen.’

Een paar jaar geleden kreeg The onenigheid met een collega binnen haar bedrijf. Er kwam een coach aan te pas. De man dook in de achtergrond van de bedrijfsvoering en kwam tot de conclusie dat The opvallend vaak hamert op het ontrafelen van geheimen. ‘Wat is er met jou gebeurd?’ vroeg hij haar. Nou, niets, was haar antwoord. Goed, zei hij: ‘Vertel me maar eens over niets dan.’

‘De dood stinkt en rochelt. De meeste mensen gaan de confrontatie hiermee uit de weh.’

Het niets van Anne-Mei The begint bij haar grootouders. Aan vaderskant waren dat Chinese Indonesiërs. Voor de Tweede Wereldoorlog betekende dit dat ze hoogopgeleid en ambitieus waren en na een emigratie uit China erg bezig met het bereiken van een beter bestaan voor hun kinderen. Chinese Indonesiërs zagen vaak in dat beheersing van de Nederlandse taal handig was en het waren slimme handelaars. The’s overgrootouders werden rijk van tabak en koffie. Ze bezaten veel, maar raakten ook alles kwijt als er politieke onrust was.

Bezit is iets wat afgenomen kon worden, daar waren Chinese Indonesiërs van doordrongen, zegt The. Daarom lieten ze één kind studeren, doorgaans de oudste zoon als die voorhanden was. Vaak ging dat kind medicijnen studeren. Het idee daarachter was dat je als arts overal in de wereld kon werken. Grootvader The werd gynaecoloog. Hij trouwde en kreeg drie kinderen. Met de onafhankelijkheid van Indonesië in aantocht kregen Chinezen het steeds moeilijker. Velen trokken weg, vaak naar Nederland. The’s grootouders verhuisden in 1948 naar Den Haag.

Dat liep triest af, zegt The: ‘Mijn opa voelde de werkverhoudingen niet goed aan. Hij was te onderdanig, snapte niet hoe je je in Nederland moest gedragen om ergens te komen. In Indonesië was hij een gevierd arts. Hier raakte hij ondergesneeuwd. Het huwelijk stond ook onder druk. Mijn oma was de oudste dochter van een rijke familie, gewend aan bediendes. In Den Haag moest ze lopen en alles zelf doen. In de periode dat ze het samen zwaar hadden, kregen ze een auto-ongeluk, mijn oma zat achter het stuur. Zij en de twee kinderen achterin overleefden het. Mijn opa overleed. Zij is nooit over dat noodlot heen gekomen. Ze werd een beetje gek en trok zich steeds meer terug. De laatste acht jaar zag ze niemand meer. Ze woonde alleen in een huisje in Amsterdam. Daar is ze overleden. Zonder iemand bij zich. We denken nu dat ze eigenlijk dement was. Idioot genoeg maakte zij door waar ik me nu over opwind.’

Indisch zwijgen
Aan moederskant stamt The af van een vooraanstaande familie. Net geen adel, maar wel een enorm landgoed op de Veluwe en een villa aan het Vondelpark voor hoofdstedelijke familiebijeenkomsten. Ook bij hen broeide van alles onder het oppervlak. Overgrootvader was een vermogende Tachtiger: een toneelschrijver met een goed lopend verzekeringsbedrijf en een hang naar een nachtelijk leven dat hij koesterde in Bodega Keijzer aan de Van Baerlestraat. Grootvader leed aan depressies, iets wat hij onder meer te lijf ging door de alternatieve genezeres Greet Hofmans een tijdje haar intrek te laten nemen bij hem en zijn vrouw.

De moeder van The ontmoette haar man via haar broers in hun studententijd. Het zal niet verbazen dat de aankondiging van haar huwelijk met een Chinese jongen niet met gejuich werd ontvangen door de familie.

Over het verleden werd weinig gesproken toen The opgroeide – voor een groot deel in Groningen, een jaar in Zweden. ‘Mijn vader was meester in dat Indische zwijgen. En er was ook weinig tijd voor lange gesprekken want hij werkte heel hard, eerst als internist, daarna als immunoloog. Door de week sliep hij vaak in het ziekenhuis en in het weekend zat hij veel in zijn werkkamer aan het eind van een lange gang. Mijn moeder zei dan: “Voorbij de kasten mag je niet komen want papa moet zich concentreren.” Ik merk in de keuzes die ik maak in mijn werk dat ik altijd iets moet ontrafelen. Als ik denk dat er iets anders aan de hand is dan wat wordt gezegd, kan ik niet stoppen voor ik erachter ben. Ik hou van harmonie maar ik kijk niet weg van rauwheid.’

In uw vakgebied is daar genoeg van te vinden.
‘Zeker. Ik heb me altijd verzet tegen ideaalbeeldvorming. Rond dementie en de dood is een beeld ontstaan dat het allemaal controleerbaar is, maar als je rondloopt in de praktijk, de kern van mijn vak, zie je dat dit beeld niet klopt. De dood stinkt en rochelt. De meeste mensen gaan de confrontatie hiermee uit de weg. Toen mijn Nederlandse oma stierf, had ik net een tijd in het ziekenhuis gewerkt en daar vrij heftige dingen meegemaakt. Zij was 85, kreeg alvleesklierkanker en heeft na de diagnose leuke dingen gedaan met ons, zonder levensverlengende behandeling. Na een half jaar begon ze te verzwakken. Ze werd geel, was korte tijd bedlegerig, drie dagen niet meer aanspreekbaar en met hulp van morfine zakte ze langzaam weg. Ik vond het een geweldige dood nadat ik net al die longkankerpatiënten had zien stikken. Maar mijn nichtjes en neefjes die nog nooit iemand hadden zien sterven, vonden het echt lijden. Dat is wat ik bedoel: als je niets wilt weten van hoe een leven afloopt, ben je dubbel aan de beurt als het zover is. Ik weiger dat uit de weg te gaan. Daar ben ik misschien een beetje normatief in.’

Foto: Annaleen Louwes
Foto: Annaleen Louwes (Vrij Nederland)

Want?
‘Kijk naar de ontwikkeling waar we nu middenin zitten met healthy aging, Zwitserlevengevoel en zeventig is het nieuwe vijftig. Die tendens heeft ons veel gebracht, maar er is ook een keerzijde. Met vereende krachten in de medische technologie houden we iedereen steeds langer in leven, maar we hebben geen oog voor de grote sociale problemen die daarbij ontstaan, laat staan voor de oplossingen. Het gaat gepaard met een langere periode van kwakkelen, eenzaamheid en sociaal isolement. Als een partner wegvalt, is het geprut en gezwoeg. Ik vind het kortzichtig om alleen te benadrukken dat het een succesverhaal is, en dan lekker daarop meezeilen. Het succesverhaal heeft ook donkere kanten waar we verantwoordelijkheid voor moet nemen.’

Zoals de Alzheimertsunami.
‘Ja. Al werd Alzheimer geen volksziekte door de ontwikkeling die ik net beschreef. Dat is wereldwijd heel vakkundig geconstrueerd. Aanvankelijk was het een zeldzame ziekte. In 1906 werd de eerste patiënt opgenomen, een Duitse vrouw van 52. Vijfenzeventig jaar later zijn de mensen met ouderdomsdementie toegevoegd aan de oorspronkelijk vrij jonge Alzheimerpatiënten. Zo steeg de omvang van de ziekte exponentieel. Door deze herlabeling kwam Alzheimer op de politieke agenda en brak het Alzheimertijdperk aan: voor 1975 verschenen er honderdvijftig wetenschappelijke artikelen over. Dertig jaar later waren dat er 45.000.’

Maar het heeft ook geleid tot miljarden aan investeringen.
‘De vraag is of dat geld ten goede komt aan de dementerenden. In Nederland beheersen drie dingen de agenda: het biomedische en de diagnostiek, de situatie in verpleeghuizen en het levenseinde debat. Medische technologie aan het begin van de ziekte en euthanasie aan het einde zijn in wezen varianten op dezelfde maakbaarheid van het bestaan. Dat bepaalt de beeldvorming. En waar vallen de noodzakelijke bezuinigingen? In het middenstuk, de lange fase die aanbreekt als de dokter een patiënt na de diagnose “gewoon” naar huis stuurt. Maar zoals verpleeghuisarts en Trouw-columnist Bert Keizer, die ik interviewde voor de verhalenbank, het beschrijft: gewoon is er niet meer. Hij zei: “Het beste wat mensen met dementie kan overkomen, is dat iemand van ze houdt en dat blijft doen als ze steeds dementer worden. Die geduld met ze heeft. En zelfs dat is vaak niet genoeg. De een wordt een drenkeling die zich vastklampt aan de ander. En de ander houdt dat vaak niet vol.” Ik kan je verzekeren: in dit probleem voorziet het deltaplan niet. Er is ook geen zogeheten “betaaltitel” voor in het bestaande zorgaanbod. En dan hebben we het nog niet over de alleenstaanden dementerenden. Alleen al in Amsterdam leeft de helft van de dementerenden alleen.’

U zit in een werkgroep van staatssecretaris Van Rijn. Vraagt u hem weleens hoe de overheid aan de ene kant kan hameren op participatie en zelfredzaamheid en tegelijk zoveel wegbezuinigt wat dat mogelijk maakt: dagopvang, hulp thuis. 
‘Natuurlijk. Zijn antwoord is dat hij overtuigd is van de kwaliteit van de ouderenzorg en dat het goed is dat mensen meer voor zichzelf moeten zorgen. Hij vergeet daarbij te vermelden dat ze vaker vallen, op de Eerste Hulp belanden, veel vaker een beroep doen op hun huisarts, eerder in een verpleeghuis belanden omdat de mantelzorg uitgeput raakt. Dus ja, de kosten vallen ergens anders, maar dat is een ander potje; daar heeft Van Rijn geen last van. Er is op overheidsniveau niemand die boven het probleem staat en goed nadenkt of we de juiste ingrepen doen. In plaats van investeren in autonome denkkracht gaat het geld naar juridische adviseurs en managementconsultants die allerlei processen moeten begeleiden. Een uitwas van de maakbaarheid is overwaardering van procesvoering, uitgedrukt in cijfers. Lekker overzichtelijk, maar het geeft een enorme vertekening van de werkelijkheid. Daarbij gaat veel verloren: de vlees-en-bloedverhalen van mensen die ik verzamel kun je niet kwijt in een tabel.’

Zien professionals in die wereld u als een fatalist?
‘Ik denk het wel, voor een deel. Een pil is aansprekend en heroïsch. Ook voor de patiënten en hun dierbaren. Als je vraagt of iemand wil genezen, zegt hij natuurlijk ja. Zo’n verhaal dat ik vertel, over omgaan en accepteren, is iets dat veel mensen niet willen horen. Ik ben negatief, hoor ik weleens. Dat is niet waar. Ik ben niet tegen om het tegen zijn en ik verzet me ook niet tegen een biomedische oplossing, maar onderzoeken hebben tot nu toe nauwelijks iets opgeleverd. Bij ouderdomsdementie ligt dat ook niet voor de hand want dat is zoiets als ouderdom oplossen. Een leven moet ook klaar mogen zijn, soms zijn mensen gewoon overtijd. Een “pil” zal de beperkte groep jong dementerenden ten goede komen. Dat is prima, maar laat de zoektocht daarnaar niet gaan over de rug van de oude mensen die zullen moeten leren leven met hun dementie. Hun probleem is niet alleen uit te drukken in cijfers. De antropologische benadering moet meer aandacht krijgen. Niet omdat het toevallig mijn manier is, maar omdat we anders straks met een nog veel grotere sociaal-maatschappelijke ramp zitten dan het nu al is.’

Kinderlijke eenvoud
Zondagochtend, een week later. In Palladium drinkt The cappuccino’s met theater/filmmaker en actrice Adelheid Roosen. In 2010 maakte zij Mam, een documentaire over de laatste levensfase van haar moeder die in 2014 stierf aan de gevolgen van Alzheimer. We zien mevrouw Roosen in een incontinentieluier en een mooie kanten beha bonbons eten met haar schoonzoon, schilderen met haar jongste zus en een bad nemen met haar oudste dochter. Roosen zelf zien we met haar moeder rondkruipen op een groot felrood kleed, allebei alleen gekleed in beha, luier en panty, met rood gelakte nagels en gestifte lippen. Het zijn eigenlijk allemaal vrolijke scènes. De film ontroert, maar maakt niet triestig.

‘De vlees-en-bloedverhalen van mensen die ik verzamel kun je niet kwijt in een tabel.’

Dat is ook de bedoeling van Roosen, die luid en duidelijk ingaat tegen de treurnis rond dementie. ‘Natuurlijk is Alzheimer gruwelijk, maar ik zag het ook als een uitdaging van een nieuwe, complexe situatie. Mam kon niet meer veranderen, maar ik wel, wij, haar omgeving, wel. Ik ben gewoon met haar gaan spelen. We hebben zoveel gelachen. Zij ook. Je moet jezelf toestaan om mee te bewegen met een dementerende. Zie het als Alice in Wonderland. Zij vallen in een gat en komen een pratend theeservies tegen en jij stort je erachteraan. Begeef je op hun spoor in plaats van te klagen over hoe verschrikkelijk het allemaal is want dat blijft zo en het wordt steeds erger. Praat mee in hun taal in plaats van tevergeefs te proberen die ander terug te halen tot wat hij of zij ooit was door je druk te maken over etensresten op kleren of slordig haar. Als ik bij mam op bed zat en zij honderdduizend keer achter elkaar auto, auto, auto, auto zei, deed ik hetzelfde. Dat vond ze fijn. Het is van een kinderlijke eenvoud wat ik doe. Je moet een paar grenzen over durven gaan, appèl doen op je autonomie en weggaan van wat hoort en niet hoort.’

Roosen en The werken samen aan een project dat ze de Alzheimerfluisteraarsnoemen. De vorm moet nog meer gestalte krijgen maar de inhoud staat. Kort gezegd: de omgeving van dementerenden uitleggen hoe ze de weg naar hun Wonderland kunnen vinden. Zoals hondenfluisteraar Cesar Millan baasjes leert om te gaan met hun dierbare trouwe hond die ineens raar gaat doen. Dit plan past in de sociale benadering van dementie die The voor ogen heeft, net als de Dementie Verhalenbank en de Proeftuin Dementie Friesland, waar bevindingen in de praktijk worden gebracht om te kijken of ze werken.

Wanneer weet u dat u uw doel nadert?
‘Als ik tegen mijn eigen grenzen aanloop. Zo gaat het met alles waarover ik me buig. Ik kan een probleem herkennen en me erin vastbijten. Ik kan het analyseren, brengen, er een boek over schrijven en praktische hulpmiddelen aandragen kan ik ook, maar na een tijdje ben ik te klein. Dan moet ik aanvaarden dat “mijn ideeën” gemeengoed zijn en de machthebbers het overnemen. Ik hoor daar niet bij. Mijn wereld is die van de voorlopers die in een tijd dat er weinig draagvlak is de boel aanzwengelen, soms wat ongepolijst en onhandig. Ik voorspel je: over twee jaar is de lange periode thuis van dementerenden en hun naasten een onderwerp waar iedereen mee aan de haal gaat.’

Omdat het probleem zo groot wordt dat nergens meer ruimte is om weg te kijken of omdat mensen als u en Adelheid Roosen hard roepen?
‘Allebei. Dat is het leuke aan wat ik doe. Ik kom zo’n Adelheid tegen met al haar oorspronkelijkheid en haar energie. Ik kom bij Ingrid van Delft. Ik kom in het Amsterdamse Odensehuis waar dagelijks tientallen dementerenden terechtkunnen voor dagopvang. Op een goed moment wordt het een beweging. Het hangt in de lucht. En dan volgt hopelijk de kentering. Mijn rol zal voortijdig uitgeschakeld zijn. Tegen die tijd verveel me ook wel weer een beetje. Ik heb een lange adem en veel geduld als ik iets wil uitzoeken, maar er is altijd een moment dat ik op een podium sta te praten en denk: Anne-Mei, je staat op de automatische piloot, wat je nu voor de zoveelste keer vertelt, is niet langer nuttig. Dan ga ik me ergeren aan mezelf en moet ik verder. Dat is ook goed. Er is dan meestal al iets nieuws waarvan ik wakker lig.’

Bron: Vrij Nederland

is journalist, netwerkbouwer, trainer en vertaler. Zij werkt in Nederland en Duitsland op het gebied van media, politiek en zorg.

Comments (0)

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top