
De vijand in huis? En wat er nog meer gebeurde.
Maandag eind van de ochtend word ik gebeld door de verpleegafdeling met de vraag of ik wist van de afspraak met de neuroloog?
Nee, dat wist ik helaas niet.
Uit nood gaat nu de verpleegkundige die mij belt met hem mee.
Naderhand wel keurig verslag. Er wordt bloed geprikt om de medicijnspiegel te controleren.
Als er ruimte voor is, kan de medicatie nog met een fractie omhoog, in de hoop de epilepsie aanvallen daarmee iets te beteugelen.
Dinsdag staat hij in de startblokken om te gaan zwemmen, maar de zwembroek blijft helaas droog; het zwemmen gaat toch niet door.
Hier toch weer wat voorbeeldjes van slechte communicatie.
Hij schiet hierdoor in een zware dip.
Zegt dat hij geen hoofd meer heeft, omdat hij slechter onthoudt, meer moeite krijgt om mensen in een gesprek nog te volgen.
Ik pak een spiegel en houd hem deze met liefde voor; hij heeft wel degelijk nog een hoofd.
Uiteraard begrijp ik zijn gevoel heel goed, maar daarin meegaan helpt hem niet.
De natuuractiviteit in de middag levert deze keer geen positieve bijdrage.
Er was een vervanger en dat hoeft niet veel verschil te maken, maar dat doet het wel.
Het is rommelig en “druk”; we komen er allebei nog vermoeider vandaan.
Woensdagochtend word ik gebeld door de afdeling, dat hij verkouden is, en wordt getest op het virus.
Poeh! Nee, toch, niet ook dat nog!
’s Avonds om 18.00u is de uitslag al bekend: hij heeft het niet, hij is maar gewoon verkouden!
Ja, dat bestaat ook nog, gewone verkoudheid.
Wat een opluchting! Niet alleen voor hem, maar voor iedereen in het hele gebouw.
De “vijand” is er gelukkig nog niet in geslaagd om hier binnen te dringen.
Hij vertelt via de telefoon dat hij overdag werd verzorgd door een verpleegkundige die helemaal in een “blauw pak” was gehesen.
“Wie ben jij? De grote smurf?”, had hij gekscherend gevraagd; ondertussen wel doordrongen van de ernst van de situatie.
Vrijdag zou hij een paar uurtjes naar huis komen en gelukkig kan dit doorgaan.
Ondertussen doe ik mijn best zijn verkoudheid niet over te nemen, want dat heeft ook weer vervelende consequenties.
“Raar”, zegt hij vrijdag, “ik kreeg complimentjes over mijn nieuwe (transfer)rolstoel. Normaal heb je dat met een andere auto”. Ik volg hem in dit “kleine” verdriet.
We kijken samen naar een muziek DVD.
Muziek die we kennen vanuit onze jeugd, via onze vaders.
Het was hun lievelingsmuziek, en dan zongen ze mee.
Op een kind maakt zoiets indruk.
Ontroerd zegt hij dat onze vaders het wel met elkaar hadden kunnen vinden.
Tranen springen in zijn ogen. Zijn vader leeft niet meer.
Na het eten en nog een kopje koffie is het weer tijd om terug te gaan naar de zorginstelling.
Het is voor zijn lichaam ook “tijd”, want hij krijgt pijnklachten.
Gelukkig heeft hij het een aantal uren pijnvrij uit kunnen houden en is de nieuwe rolstoel een succes gebleken.
Ik hijs hem in zijn jas en wurm de rolstoel de deur weer uit, naar de taxi.
“Wat een gezeul met mij”, zegt hij. “Knap van je dat je het doet!”
“Logisch, toch”, zeg ik, “jij zou het voor mij ook doen”.
“O ja. Zeker weten”, is zijn reactie daarop terug.
Het huis is weer “leeg” en echt wennen doet dat nooit, net zomin als zijn leven “daar”.
Hij belt nog op en zegt dat hij een heerlijke dag heeft gehad.
We hebben toch geleerd te genieten van wat er wél is.
De volgende dag vraag ik nog aan hem waarom hij zo verdrietig was bij de gedachte aan zijn vader.
Mist hij hem?
Nee, dat was het niet, maar wel verdriet om het feit dat beide vaders elkaar nooit hebben kunnen ontmoeten en dat zijn vader zijn nieuwe schoondochter nooit heeft leren kennen, want hij had mij zeker gemogen.
De gedachte dat hij over zichzelf zegt dat hij geen “hoofd” heeft, doet me met terugwerkende kracht opnieuw pijn, ook al begrijp ik hem daarin.
Het is een “ander” hoofd, maar wel één met een bijbehorend goed hart.
Comments (0)