Gezellige middag – ingezonden door Henny Wind
Om in een verpleeghuis te kunnen ‘overleven’ moet je eigenlijk beschikken over een optimistische natuur of in ieder geval een gezonde dosis humor. Dat zal niet altijd aanwezig zijn bij de populatie van het gemiddelde verpleeghuis. In het huis waar mijn man sinds kort verblijft worden verwoede pogingen gedaan om vrolijkheid uit te stralen. De gangen en deuren zijn fel gekleurd en het is erg licht. Ook is er een activiteitenprogramma. Elke dag wordt er wel iets georganiseerd.
Het was vrijdagmiddag. Om twee uur stond de ‘gezellige middag’ gepland. Na enig aandringen wilde mijn man er wel heen, mits ik meeging natuurlijk.
Om twee uur melden wij ons bij de ingang van ‘De Salon’. Er zaten al enkele dames aan de grote tafel in het midden van dit vrolijke en lichte, ronde zaaltje met uitzicht op de tuin op de begane grond. Ik vroeg beleefd of hier de ‘gezellige middag’ werd gehouden. Het antwoord was bevestigend. ‘Mooi’, zei ik,’ dan sluiten wij aan’. ‘Het is wel de bedoeling dat de groep bij elkaar zit’, klonk het voorzichtig. ‘Dan gaan we toch gezellig bij de groep zitten’, antwoordde ik welwillend.
We gingen wat opzij zitten in afwachting van de komst van de bewoners van de pg afdeling, die waren opgegeven voor dit samenzijn. Langzaam druppelden de bewoners binnen, meestal geduwd of anderszins ondersteund door een vrijwilliger. Iedereen kreeg een plaats toegewezen aan een van de grote tafels. Ik zag een bekende, een pg- genoot van mijn man, waar wij naast gingen zitten. De tijd verstreek. Zo nu en dan gingen de klapdeuren open en verscheen er weer een bewoner in een rolstoel of achter een rollator. In de tussentijd werd er spaarzaam gepraat.
Aan de damestafel in het midden van de zaal ging het er nog het meest geamuseerd aan toe.
‘Ik raak steeds van alles kwijt’, begon iemand vrijmoedig het gesprek. De dame daar tegenover vroeg behulpzaam ‘maak je dan geen briefjes, waar je alles hebt?’ ‘Nee, die raak ik ook kwijt’, was het antwoord. Het gesprek stokte. Er was een half uur verstreken en het gezelschap leek compleet. Een hele operatie, dat was duidelijk. Nu was het tijd om koffie en thee in te schenken. Het opnoemen van de naam van de bewoner en het enkele malen herhalen van de vraag ‘wilt u koffie of thee?’ En ‘hoe gebruikt u de koffie’ brak de stilte die pijnlijk om ons heen hing. Wij waren aan de beurt, de koffie werd bij ons neergezet. ‘Wat hebt u een mooie bril’ klonk het ineens belangstellend in de richting van een mevrouw tegenover ons. Ik keek aandachtig naar de bril. Het enige bijzondere daaraan was dat hij tweekleurig was. Grijs met blauw. ‘Waar heeft u die gekocht?, ging het verder. Het bleef een tijdje stil. De mevrouw tegenover ons dacht diep na. Heel diep, maar ze vond het antwoord niet. ‘Ik geloof ergens in Hoogeveen’, zei ze om niet onbeleefd te zijn.
Iemand van de leiding nam een microfoon in de hand. ‘Dat belooft wat’, dacht ik meteen. We werden welkom geheten en weer allemaal bij naam genoemd. Er werden nog wat opbeurende dingen gezegd over het lenteweer buiten en de krokusjes die bloeiden. Niemand reageerde. Niemand keek naar buiten om deze wetenswaardigheid te checken. ‘We zijn hier bijeen voor de gezellige middag…’, ging het verder door de microfoon.
Ineens brak er een soort paniek uit bij de leiding. Meneer en mevrouw zus en zo komen ook nog en we hebben geen stoelen meer. Ik keek eens goed om me heen. Stoelen te over. Een van de vrijwilligsters boog zich over mij heen en zei: ‘U moet hier weg, er komen nog mensen aan’. Verbouwereerd stonden we op, de koffie in de hand, op zoek naar een geschiktere plek. Die vond ik naast een andere pg bewoner, indachtig de opdracht om bij je eigen groepsgenoten te gaan zitten. Ik nam een slok van de slappe koffie. Weer een hoofd voor het mijne. ‘Het is niet de bedoeling dat de aanhang hierbij aanwezig is…’, klonk het nu dreigend. Ik zette de koffie abrupt weg. ‘We gaan al’ zei ik perplex. ‘U mag uw koffie nog wel opdrinken’. ‘Nou nee, laat u maar’.
We vertrokken door de klapdeuren. ‘Waarom mocht jij er niet bij zijn?’ vroeg mijn man. ‘Geen idee’, zei ik, in mijn hart blij dat hij nog wel iets mee had gekregen.
Tien minuten later zaten we aan de port met bitterballen bij Hotel Erkelens. Altijd gezellig. Het hele voorval was bij mijn man gelukkig al weggegleden in de bodemloze put die Alzheimer heet.
Henny Wind
Comments (0)