
Een bipolaire stoornis is geen schande
Toen ik in het eerste jaar van de middelbare school zat, werd bij mijn moeder een psychische aandoening vastgesteld. Als jonge mantelzorger (ik was net dertien) voor een dierbare met een psychische aandoening had ik te maken met de strijd waar geen enkel kind ooit mee zou moeten worstelen. Haar gezondheidsproblemen werden gekenmerkt door fasen van ondraaglijke aframmelingen, hartverscheurende, liefdeloze woorden, onverklaarbare pijnen, gevoelens van uitputting, periodes van verwarring, wanhoop en hopeloosheid.
Telkens weer stelde ik mezelf deze vragen: ‘Wat is er mis met mamma? Hoe ga ik hier mee om? Waarom houdt ze niet meer van me?’ De antwoorden op mijn vragen waren als bouwstenen. Ze gaven me inzicht in de manier waarop ons leven opnieuw werd vormgegeven en gekneed. De veilige haven waarin ik was opgegroeid brokkelde om ons heen af.
Er was zoveel angst en verdoezeling over wat er aan de hand was, dat geen enkel volwassen familielid er echt mee te maken wilde hebben. Wat ik snel begreep over geestesziekten is dat het moeilijk is om de acties van iemand die een dergelijke ziekte ervaart te verbergen en te doen alsof het niet bestaat. Mamma’s ongewone gedrag was het gesprek van de dag dat fluisterend gevoerd werd onder familie en vrienden. Ze leed namelijk aan een bipolaire stoornis.
Op de een of andere manier komen geestesziekten vaak in het middelpunt van de belangstelling te staan. Zelfs bij de mantelzorgers infiltreert het je gedachten, neemt het ruimte en energie in beslag alsof je er een deel van bent. Totdat je een manier vindt om terug te nemen wat er van je gestolen is. Waar kon ik mijn toevlucht zoeken? Ze was mijn alleenstaande, liefhebbende ouder, mijn vertrouwde bron, mijn verzorger. Na verloop van tijd veranderden onze rollen van moeder en dochter in verzorger en zorgontvanger. Ik kwam er keer op keer achter dat mijn moeder me nodig had.
Mijn moeder was niet meer de persoon die ik kende.
Haar wekenlange slapeloze nachten, het constante verbale en fysieke misbruik zonder duidelijke reden of oorzaak, haar talloze woedende uitstapjes naar oma’s huis waren ons nieuwe normaal. Voordat ze gediagnosticeerd werd zocht ze hulp bij de pastoor en andere leiders van de kerk. Haar christelijke waarden waren een toevluchtsoord voor haar en gaven haar kracht en troost.
Gedurende deze zoekende tijd werd ze zieker. Mamma gaf zichzelf de schuld van haar op hol geslagen gedachten, instabiliteit en een heleboel andere dingen die ze voelde. Ik gaf mezelf de schuld, vooral als ik voelde dat ik haar kwaad maakte. Het was niet haar schuld, of mijn schuld. Het was niemands schuld.
Door hulp voor haar te zoeken en mezelf te scholen op dat gebied, kreeg ik een gevoel van veiligheid en de middelen die me hielpen om met haar ziekte om te gaan. Na meerdere onvrijwillige ziekenhuisopnames, de achtbaan van het jarenlang slikken en weer stoppen van medicijnen, en therapiesessies met haar artsen, leerden we hoe we elkaar door de onzekerheden van de ziekte heen konden loodsen.
Ik weet nu dat het geen schande is om voor iemand met een psychische aandoening te zorgen. Het zou pas een schande zijn als we onze verhalen niet vertellen. Familieproblemen over psychische aandoeningen worden vaak vanuit het perspectief van volwassenen gedeeld. Zelden zie je ze door de ogen van een kind met een ouder of broer of zus met een psychische aandoening. Ik denk dat elk verhaal dat verteld wordt, inclusief het onze, waarvan ik kan zeggen dat het met triomf en herstel is geëindigd, anderen helpt om geestesziekten beter te begrijpen. Het maakt mensen bewust van het bestaan ervan en geeft hen hoop omdat het stigma en de negatieve attitudes verminderen als er meer begrip is.
Comments (0)