
De verkeerde eerste vraag aan een mantelzorger?
“Wat kunt u voor ons doen?”
Het was de centrale boodschap tijdens het jaarlijkse congres van Waardigheid en Trots. Zorgmedewerkers in de ouderenzorg werden aangemoedigd die vraag vaker te stellen aan mantelzorgers en familieleden. De gedachte erachter is begrijpelijk. Familie kent een bewoner vaak beter dan wie ook. Zij kennen de levensgeschiedenis, herkennen kleine veranderingen en kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het welzijn van hun naaste.
Samenwerken met mantelzorgers is daarom zonder twijfel belangrijk.
Maar juist omdat die samenwerking zo belangrijk is, moeten we kritisch durven kijken naar de manier waarop we haar vormgeven.
Want voor veel mantelzorgers is ‘Wat kunt u voor ons doen?’ niet de eerste vraag die zij hopen te horen wanneer hun partner, ouder of kind wordt opgenomen in een verpleeghuis.
Het eindpunt van een lange weg
Een verhuizing naar een verpleeghuis is zelden het begin van een zorgtraject. Meestal is het juist het eindpunt van een jarenlang proces waarin mantelzorgers alles hebben gedaan wat binnen hun mogelijkheden lag.
Ze hebben hun werk aangepast of opgegeven. Nachten wakker gelegen. Administratie geregeld. Ziekenhuisafspraken gepland. Medicatie bijgehouden. Hun sociale leven zien verdwijnen. Hun eigen gezondheid op de tweede plaats gezet.
Pas wanneer het thuis écht niet meer gaat, wordt gekozen voor opname.
Juist op dat moment kreeg ik zelf dezelfde vraag.
‘Wat kunt u voor ons doen?’
Ik begrijp dat deze vraag bedoeld was als uitnodiging om betrokken te blijven. Toch voelde zij voor mij heel anders. Niet als samenwerking, maar als druk. Niet omdat iemand dat zo bedoelde, maar omdat de context ontbrak.
De vraag achter de vraag
Want wat als je niet meer kunt? Wat als je jarenlang over je grenzen bent gegaan en de opname juist betekent dat je eindelijk weer even adem kunt halen? Mag je dan zonder schuldgevoel zeggen dat je niets meer kunt betekenen? En als je nee zegt, wie doet die zorg dan? Blijft die liggen? Wordt een bewoner daar uiteindelijk de dupe van? Of ben je als mantelzorger bang dat jouw keuze – hoe onterecht ook – gevolgen heeft voor de aandacht die jouw naaste krijgt?
Dat zijn vragen die veel mantelzorgers zichzelf stellen. Niet omdat zorgmedewerkers die druk bewust uitoefenen, maar omdat de afhankelijkheid nu eenmaal groot is.
Vrijwilligheid is de basis
Natuurlijk zijn er mantelzorgers die graag betrokken blijven. Sommigen vinden het prettig om te helpen met eten, wandelen of persoonlijke verzorging. Anderen voelen zich juist opgelucht dat zij een deel van de zorg eindelijk kunnen loslaten. Beide keuzes zijn goed.
Daarom begint echte samenwerking niet met een verwachting, maar met een gesprek.
Niet met de vraag: ‘Wat kunt u voor ons doen?’, maar met: ‘Hoe gaat het met u?’, ‘Hoe heeft u de afgelopen jaren ervaren?’ en ‘Waar ligt uw draagkracht op dit moment?’ Pas daarna kun je samen onderzoeken of iemand nog iets wil en kan betekenen.
Geen verschuiving van verantwoordelijkheid
De druk op de ouderenzorg neemt toe. Dat is een feit. Personeelstekorten zijn groot en familie zal een belangrijke partner blijven. Maar samenwerking mag nooit betekenen dat professionele zorg ongemerkt verschuift naar mantelzorgers die hun grenzen al hebben bereikt.
Mantelzorg is geen onuitputtelijke bron. Juist de mensen die jarenlang vanzelfsprekend klaarstonden, verdienen het dat er ook een moment komt waarop zij zélf gezien worden.
Misschien is dat wel de belangrijkste les. De eerste vraag aan een mantelzorger zou nooit moeten zijn: ‘Wat kunt u voor ons doen?’ Maar: ‘U heeft al zoveel gedaan. Hoe gaat het nu met ú?’ Daar begint echte samenwerking.
Kijk eens verder dan alleen de ouderenzorg! Wat denk je van kinderen of partners (65-) in een verzorgingshuis. Daarvoor is de zorg in veel gevallen zwaarder. Dus ook de mantelzorg als er een personeelstekort is.
Deze vraag moet altijd gesteld worden aan de naasten van iemand die verhuist naar een zorginstelling, zeker als het gaat om kinderen en partners die verhuizen. Je hebt jarenlang samen een husihouden gevoerd en ineens is dat afgelopen. De ‘achterblijvers’ moeten zichzelf opnieuw ontdekken. Ik raad ook altijd aan om steun te zoeken bij maatschappelijk werk om te helpen wennen aan de nieuwe situatie. Dit moet standaard aangeboden worden. Ik heb er veel aan gehad. Maar ja ………