
De krankzinnige kanten van mantelzorg
Als je lang genoeg mantelzorger bent, gebeurt er iets merkwaardigs: je normaal verschuift. Dingen waarvan je vroeger zou hebben gedacht dit is toch niet te doen?, worden ineens gewoon onderdeel van je dinsdag. Je staat op, regelt van alles voor een ander, lost drie problemen op voordat je zelf hebt ontbeten en denkt aan het einde van de dag vooral: nou, dat viel eigenlijk best mee. Achteraf gezien is dát misschien wel een van de krankzinnigste kanten van mantelzorg: hoeveel je normaal gaat vinden.
Ik vond het bijvoorbeeld op een gegeven moment heel gewoon dat mijn telefoon altijd aanstond. Niet figuurlijk. Gewoon echt altijd. Douchen of naar het toilet? Telefoon mee. Boodschappen? Telefoon in mijn hand. Even ergens koffie drinken? Telefoon op tafel. Want je wist maar nooit. En het bijzondere was: als hij níét ging, werd ik soms juist onrustig. Dat is ook een talent dat je tijdens mantelzorg ontwikkelt: je kunt je zorgen maken wanneer iemand belt, maar óók wanneer iemand niet belt. Win-win.
Mantelzorgers krijgen bovendien een wonderlijke hoeveelheid kennis. Je leert ineens over medicijnen, indicaties, verzekeringen, formulieren, zorgaanbieders en afkortingen waarvan je vroeger dacht dat het modellen van printers waren. Wmo. Wlz. Zvw. Pgb. Op een gegeven moment kon ik gesprekken voeren waarin drie van die afkortingen in één zin voorkwamen en niemand vroeg zich af of dat nog gezond was.
Tegelijkertijd kon ik mijn eigen pincode bijna vergeten. Dat vond ik altijd fascinerend. Mijn hoofd kon tientallen dingen voor een ander onthouden, maar zodra ik zelf ergens iets neerlegde op een “handige plek”, was het voorgoed verdwenen. Waarschijnlijk liggen er in Nederland duizenden belangrijke spullen op handige plekken. Niemand weet waar.
Veel mantelzorg begon bij mij met één ogenschijnlijk onschuldig woord: even. Even bellen. Even langsgaan. Even iets regelen. Even meegaan. Even controleren. Alleen bleek “even” in de mantelzorg zelden even te duren. Even bellen kon eindigen in vier keer doorverbinden, drie medewerkers en de mededeling dat ik toch echt bij de eerste afdeling moest zijn. Even langsgaan kon zomaar veranderen in een complete middag.
Mantelzorg kende sowieso een bijzondere natuurwet: hoe eenvoudiger iets klonk, hoe groter de kans dat het enorm veel tijd kostte. En dus werd je ook vanzelf een soort rechercheur. Waar is die brief? Wie heeft er gebeld? Wanneer was die afspraak? Zijn de medicijnen genomen? Waarom klopt dit bedrag niet? Waar is dat formulier gebleven? Wie zou eigenlijk terugbellen?
Soms had ik het gevoel dat ik een zaak probeerde op te lossen waarvan niemand mij het volledige dossier had gegeven. En wanneer ik dan eindelijk dacht dat alles geregeld was, kwam er meestal een nieuwe brief binnen. Met als openingszin: “Naar aanleiding van uw eerdere correspondentie…” Dan wist je alweer genoeg. Koffie.
De buitenwereld had ondertussen vaak goede tips. Mensen bedoelden het meestal oprecht goed. “Je moet ook goed voor jezelf zorgen.” Klopt. Uitstekende tip. Ik zal het meteen ergens tussen de medicijnen, de boodschappen, het telefoontje, de administratie en de rest van mijn leven inplannen.
Of deze: “Je moet het ook een beetje loslaten.” Dat is een prachtige zin. Vooral wanneer je degene bent die precies weet wat er gebeurt als je het daadwerkelijk loslaat. Ik heb vaak gedacht dat “loslaten” voor mantelzorgers ongeveer hetzelfde was als tegen iemand die zes boodschappentassen draagt zeggen: “Je moet je handen wat meer ontspannen.” Ja, dat kan. Maar dan ligt alles op straat.
Ondertussen ging het gewone leven natuurlijk gewoon door. Dat vond ik misschien nog wel het meest absurde. Terwijl de zorg steeds meer ruimte innam, hield de rest van het leven niet beleefd op. Er moest nog steeds gewerkt worden, er moesten boodschappen komen, de was deed zichzelf koppig niet, er waren verjaardagen, rekeningen, afspraken en mensen die vroegen of je “gezellig meeging”.
En dan stond ik soms midden in een supermarkt te bedenken wat ik allemaal nog moest regelen, terwijl iemand voor mij uitgebreid stond te twijfelen tussen twee pakken hagelslag. Op zulke momenten dacht ik weleens: mevrouw, ik gun u werkelijk alles, maar kies alsjeblieft de blauwe. Niet mijn fraaiste kant. Wel eerlijk.
Dat is wat mantelzorg met je kan doen. Je raakt gewend aan voortdurend vooruitdenken, bereikbaar zijn, rekening houden met wat er misschien kan gebeuren, plannen die altijd onder voorbehoud zijn en verantwoordelijkheid die nergens officieel op papier staat, maar die je wel iedere dag voelt. Terwijl je erin zit, zie je dat vaak helemaal niet zo scherp. Je doet gewoon wat nodig is. Dat deed ik ook.
Pas later keek ik soms terug en dacht ik: hoe dan? Hoe kreeg ik dat allemaal tegelijk in mijn hoofd? Hoe kon ik midden in mijn eigen leven zoveel ruimte maken voor het leven van een ander? En vooral: waarom vond ik sommige situaties destijds nauwelijks bijzonder?
Waarschijnlijk omdat mantelzorgers een uitzonderlijk vermogen hebben om zich aan te passen. Dat is een kracht, maar soms ook een risico. Want wanneer krankzinnig druk, ingewikkeld of zwaar langzaam je nieuwe normaal wordt, vergeet je gemakkelijk dat het eigenlijk helemaal niet normaal ís.
Daarom kan ik achteraf ook lachen om sommige situaties. Niet om de zorg zelf. Niet om ziekte. Niet om wat iemand verloor of wat ik zelf soms kwijtraakte. Maar wel om de absurditeit eromheen. Om alle momenten waarop ik dacht dat ik “even iets ging regelen” en drie uur later nog bezig was. Om hoe serieus je kunt worden over een formulier. En om gesprekken waarvan je later denkt: dit kun je werkelijk niet verzinnen.
Misschien is dat ook waarom humor zo belangrijk kan zijn. Soms lost lachen helemaal niets op. Maar het maakt het krankzinnige heel even draaglijk.
En als je lang genoeg mantelzorger bent geweest, weet je:
dat telt ook.
Comments (0)