
De buurjongen met zijn voetbal
Het speelveldje hier in de straat ligt er elke middag hetzelfde bij. Twee doelen zonder netten, een beetje schots en scheef gras, en altijd wel kinderen die er rondrennen. Gelach, geroep… leven. En mijn zoon… die zit er vaak nét niet. Alsof hij erbij hoort, maar toch ook weer niet.
Hij kijkt vooral en soms schuift hij een stukje dichterbij, alsof hij mee wil doen. Maar het gaat zo vaak mis. Hij reageert snel, denkt niet eerst na, zijn emoties zitten meteen hoog. Voor je het weet is er ruzie. En dan haakt hij weer af.
Hij snapt het zelf ook niet goed. Hij wil wel, zo graag, maar het lukt gewoon niet altijd. En als moeder doet dat pijn. Meer dan ik soms wil toegeven. Dus kijk ik ook, vanuit het raam. Naar hem, die kijkt naar de anderen. En wanneer het nodig is grijp ik in. Tot een paar maanden geleden.
Er kwam een nieuw gezin in de straat wonen. Ik had ze wel gezien, een beetje vluchtig. Maar op een middag zag ik hun zoon op het veldje. Iets ouder dan die van mij. En zonder twijfel liep hij op mijn jongen af. Geen gedoe, geen aarzeling maar gewoon contact. Ik hield bijna mijn adem in. Maar mijn zoon stond op en liep met hem mee.
Die middag heb ik vaker uit het raam gekeken dan ik wil toegeven. En elke keer zag ik hetzelfde: het ging goed. Niet perfect, maar goed genoeg. Samen lachen en meedoen met de rest. En een paar dagen later ging de bel, de buurjongen met een bal onder zijn arm. Of mijn zoon buiten kwam spelen.
Ik voelde gewoon tranen opkomen. Echt, zo’n simpel moment… maar voor mij zo groot. Mijn zoon stond al achter me, half verstopt maar met een gezicht dat straalde. Daar gingen ze.
Wat gewekdig!