
Dat moment dat ik jaloers was op de thuiszorg
Ze was nog geen halfuur binnen geweest.
Ze had mijn man geholpen met douchen, zijn steunkousen aangetrokken en gevraagd of hij lekker had geslapen.
Daarna vulde ze iets in op haar telefoon.
‘Zo,’ zei ze opgewekt. ‘Dan ga ik weer verder. Tot morgen!’
Mijn man bedankte haar uitvoerig.
Wat fijn dat ze er was. Wat moest hij toch zonder haar? Ze was altijd zo geduldig en wist precies wat ze moest doen.
Ik glimlachte en liep met haar mee naar de voordeur.
Toen ze haar jas aantrok, voelde ik ineens iets wat ik niet wilde voelen.
Jaloezie.
Niet omdat ik haar werk onderschatte. Integendeel. Ik was blij met haar komst. Dat halfuur gaf mij de tijd om de was aan te zetten, zijn medicijnen klaar te leggen en de badkamer alvast op te ruimen.
Maar zij kon haar jas aantrekken.
Zij kon na dertig minuten zeggen dat ze klaar was en naar de volgende cliënt gaan. Aan het einde van haar dienst ging ze naar huis.
Ik bleef achter.
Met het natte badlaken op de vloer. Met zijn ontbijt, de medicijnen, de afspraken en de vraag of hij straks nog even naar het toilet kon. Met de rest van de ochtend, de middag, de avond en de nacht.
Zij kreeg betaald voor de zorg die zij gaf.
Ik kreeg te horen dat ik het zo liefdevol deed.
Die gedachte maakte me nog schuldiger. Zij had niets verkeerd gedaan. Ze was aardig voor mijn man en deed haar werk goed. Het lag niet aan haar.
Ik wilde alleen ook een keer klaar zijn.
Ook een keer mijn jas aantrekken, de deur achter me dichttrekken en weten dat iemand anders het vanaf daar overnam.
‘Wat eten we vanavond?’ riep mijn man vanuit de kamer.
Ik hing mijn jas, die al dagen ongebruikt aan de kapstok hing, wat rechter.
‘Ik kom eraan,’ zei ik.
Buiten stapte de thuiszorgmedewerker in haar auto.
Ik keek haar na tot ze de straat uit reed.
Dat was het moment waarop ik begreep dat ik niet jaloers was op haar werk.
Ik was jaloers op het einde van haar werkdag.
Comments (0)