
Samen vasthouden wat langzaam verdwijnt
Het begon met kleine dingen. Sleutels die steeds zoekraakten, namen die niet meer opkwamen. We lachten er eerst nog om, mijn man en ik. Maar na verloop van tijd werd het lachen minder, en het zoeken, uitleggen en geruststellen steeds meer. Toen de diagnose viel – dementie – voelde het alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. Niet omdat ik niet voor hem wilde zorgen. Natuurlijk wel. Maar omdat ik wist: dit wordt een weg zonder duidelijke route, zonder terugweg, en soms zonder herkenning.
In die eerste maanden voelde ik me vaak alleen. Alsof ik tussen twee werkelijkheden leefde: eentje waarin ik zijn vrouw nog was, en eentje waarin ik elke dag een beetje meer zijn verzorger werd. Tot mijn dochter zich steviger met ons leven ging bemoeien. Niet opdringerig. Maar liefdevol aanwezig. Ze begon met kleine dingen: een keer koken, een boodschap doen, een wandeling maken met haar vader zodat ik even kon slapen.
Maar gaandeweg werd ze mijn anker. Ze kent haar vader goed – zijn humor, zijn buien, zijn manieren en ze weet vaak eerder dan ik hoe ze hem moet benaderen. Soms zie ik hoe hij oplicht als zij binnenkomt, hoe zijn ogen haar even wél herkennen terwijl hij mij die dag al drie keer heeft gevraagd wie ik ben. En in plaats van jaloers te zijn, voel ik alleen maar dankbaarheid.
Want door haar voel ik me geen hulpverlener, maar weer even moeder, vrouw, mens. We dragen dit samen. We huilen soms samen. Maar we lachen ook. Om oude herinneringen die zij me helpt vasthouden. Om kleine momenten waarop hij ineens helder is en zegt: “Wat hebben wij toch een lieve dochter.”
En dan weet ik: hoe zwaar het soms ook is, ik hoef het niet alleen te doen.
Thea
Comments (0)