Rond de jaarwisseling

Op dinsdag wordt zijn nieuwe telefoon geleverd, die erg lijkt op zijn oude, en hopelijk kan hij eraan wennen.

Een handige verpleegkundige maakt die gebruiksklaar.

Om de een of andere reden weigert hij het avondeten, maar als hij het aanbod krijgt van een broodje met haring en/of makreel, dan heeft hij toch opeens trek; lekkere trek dus.

De volgende morgen lukt het hem om mij op te bellen met zijn nieuwe telefoon, maar hij vond het wel moeilijk, zei hij.

We hadden er de avond ervoor samen nog mee geoefend.

Via internet heb ik ook plankjes voor aan de wand besteld, op zijn verzoek, want daar wil hij zijn kwetsbare spulletjes op kwijt, die nu op een tafeltje staan waar hij regelmatig tegenaan botst met zijn rolstoel.

Donderdagochtend belt hij mij op en zegt dat hij van iemand heeft gehoord dat hij zo moet zwemmen.

Ik vraag hem wie dat dan zegt. Een bewoner? Ja, een bewoner. Een nieuwe zelfs.

“Niet serieus nemen dan”, zeg ik, “alleen afgaan op de zorg”.

Hij zwemt nooit op donderdagen, alleen op de dinsdagen, als dat al doorgaat, want dat is nog steeds vaker niet dan wel.

Later belt hij weer en zegt dan dat hij er hulp bij nodig had, bij het telefoneren.

Twee uur later belt hij nog eens, blijkbaar zelfstandig nu, en hij vraagt dan of hij al gebeld heeft.

Dat vind ik een moeilijke vraag, die hij stelt.

Hij vraagt het vaak, bijna dagelijks.

Moet ik liegen daarover?

Dat hij inmiddels ‘s avonds “goedemorgen, schat”, zegt, dat corrigeer ik niet meer.

Ik zie dat als een vergissing, en corrigeren maakt hem ongelukkig.

Hem ervan bewust maken dat hij al eerder heeft gebeld, als hij daarnaar vraagt, maakt hem ook ongelukkig.

Dit is een geheugen kwestie.

Als ik eerlijk antwoord geef, hem tegelijkertijd geruststel dat het niet erg is dat hij al eerder heeft gebeld, dan is zijn reactie daarop standaard dat het wél erg is.

Nu ik hem vraag of het erg zou zijn als hij al eerder had gebeld, reageert hij daar rustiger op, en ik vermijd nu dan ook om te zeggen dat hij inderdaad al eerder had gebeld.

Voor deze keer is dit de goede benadering, maar dat kan een volgende keer weer anders zijn.

Hij mag mij zo vaak bellen als hij wil, dat heb ik steeds tegen hem gezegd, en dat hij het vergeet dat hij mij heeft gebeld, dat is niet erg, maar in zijn hoofd raakt de boel ervan in de war, en het is voor mij steeds opnieuw uitvinden hoe het beste met hem om te gaan, op alle vlakken, net zoals het personeel dat doet.

De jaarwisseling breng ik bij hem door: hij is in zijn goede doen en het voelt heel even alsof ik mijn soulmate weer terug heb, en ik koester deze avond bewust.

Even na middernacht fiets ik terug naar huis, op mijn hoede voor het vuurwerk dat hier en daar wordt afgestoken, en ik ben blij als ik weer heelhuids thuis ben.

De volgende dag hoor ik van de zorg dat mijn eega misselijk is en verhoging heeft.

De misselijkheid verbaast mij niet, want hij had de avond ervoor van alles door elkaar gedronken en gegeten, van wat ik meegenomen had en van wat hij in de huiskamer had gekregen.

3 Januari is de uitvaart van mijn moeder.

Met de zorg had ik afgesproken dat de door mij uitgezochte kleding voor die dag, pas vlak voor vertrek aangetrokken zou worden, zodat hij daar netjes zou verschijnen.

‘s Ochtends belt hij mij op en meldt krankjorum te worden van alle tijden die hij hoort in verband met de uitvaart.

Het ligt op het puntje van mijn tong om te zeggen: “Je wilde toch zelf mee?”, want ik had hem ook de keuze gegeven, maar ik slik het in en probeer hem gerust te stellen, wat niet lukt, en vervolgens hangt hij boos op, met de woorden dat hij zich niet meer druk gaat maken.

Hmm…geen beste start van de dag zo, en spannend hoe hij deze dag gaat beleven.

Tijdens de uitvaart houd ik hem in de gaten, maar hij keert zich in zichzelf en ondergaat het gelaten.

Mijn dochter zit aan de andere kant naast mij en wrijft even troostend over mijn arm.

Ik wrijf even terug over haar arm, dankbaar voor onze connectie in het moment.

De volgende dag vraag ik mijn eega hoe hij de uitvaart heeft ervaren, maar dat blijkt een vraag tegen het zere been te zijn, want “iedereen” vroeg ernaar, zei hij, en of het een mooie uitvaart was.

Hoe kan een uitvaart mooi zijn? Hij begrijpt hoe het wordt bedoeld, dat dan weer wel, maar de vraag irriteert hem en hij kan er verder niks mee.

Hij praat liever over zijn herstel, en dat we dan weer naar Engeland op vakantie kunnen gaan, en hij heeft het over een klein kerkje dat we daar toen hebben gezien.

Het zal een link zijn met de uitvaart, denk ik, al was die niet in een kerk..

 

 

Mayke de Vries is na een carrière in de zorgsector nu vooral mantelzorger voor haar partner, die helaas na een grote hersenbloeding in oktober 2019 in een zorginstelling kwam te wonen. Zij schrijft op Mantelzorgelijk over de veranderingen in hun leven.

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Back To Top