skip to Main Content

Lotgenoten

asperger kind3Ze kijkt me aan. Ze aarzelt. “Mijn jongste. Hij is ook uhm, autistisch.” Het laatste woord klinkt hees. Haar ogen worden vochtig. Op slag zijn we niet meer slechts vage bekenden uit de buurt die elkaar gedag zeggen. We zijn lotgenoten. We hebben er allebei ‘zo één’.

Ze vertelt. Van de vragenlijsten, de onderzoeken, het afwachten. Het niet willen weten, het zo graag willen weten. Het negeren, het er niet over willen praten, de blikken van mensen, hun geruststellend bedoelde woorden. “Oh joh, de buurjongen van mijn tante ging pas praten toen hij 5 was, en nu zit hij op het VWO.” “Ach, die van mij was nét zo, let maar op, die draait nog wel bij.”
En dan, de diagnose. Een stempel. Levenslang.

Zij praat en ik luister. Het is als een flashback.

Wat zal ik zeggen? Dat het wel meevalt? Dat er veel goede hulpverlening is? Dat er veel ergere dingen zijn?
Zal ik haar waarschuwen voor prikkende blikken? Voor volwassenen die hun nek verdraaien om haar kind goed te kunnen bekijken? Zal ik haar vast uitleggen dat opmerkingen als “je ziet het niet echt aan hem hè?” of “hij gaat later zeker in een instelling wonen?” niet verkeerd bedoeld zijn?

Zal ik haar zeggen dat het vergelijken met leeftijdsgenoten blijft? En altijd pijn zal blijven doen?
Dat ze niet teveel aan de toekomst moet denken? Genieten van kleine stapjes? Van mooie momenten?

Ik kijk haar aan. Ik voel haar verdriet. Haar onzekerheid.
“Ellendig hè…”, is alles wat ik zeg.

Avatar

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top
X