skip to Main Content
Liefde In Tijden Van Corona (4)

Liefde in tijden van corona (4)

In de spiegelende ruit lijkt het nog wel wat. Mijn moeder leunt er met haar hoofd tegen de rechter schouder van mijn vader. Hij zit rechtop en kijkt fier de wereld in. Blik op oneindig. De horizon reikt tot aan de open ingang van een partytent.
“Kun je wat harder praten”, worstelt mijn hardhorende moeder met de walkie-talkie van de babyfoon. Knopje in. Achter de ruit ligt het andere deel in de schoot van mijn vader. “Ik versta je nog steeds niet”, roept mijn moeder tegen zijn playbackende mond. Oh ja, knopje uit. “Zeg het nog eens.” Het duurt minuten voor ze het juiste ritme heeft gevonden. Mijn vader hoort haar op vol volume en heeft dus geen enkele reden zijn deel van de babyfoon dichter bij zijn mond te brengen.
“Heb je nog wat nodig?”
“Ik zou het niet weten.”
“Heb je liever overhemden met korte mouwen?”
“Maakt me niet uit.”
“Hoe laat ga je ieder dag naar bed?”
“Half drie.”
“Niet zo flauw doen.”
“Ja, wat is dat nou voor vraag!”
Twintig kostbare minuten volpraten op afspraak blijkt zelfs niet gemakkelijk als je zielsveel van elkaar houdt. “We zijn pas op de helft”, constateert mijn moeder. Ze had zich nogal verheugd op het bezoek, eindelijk elkaar weer in de ogen te kunnen kijken. Een week geleden deelde ze me haar ergste gedachte. “Soms vraag ik me af of we die operatie wel door hadden moeten laten gaan.” Die durfde ik zelf al twee maanden niet uit te spreken.

“Dit ben ik niet gewend, zo te praten”, knikt mijn vader richting het raam. Ik zie zijn wanhoop, berusting en halfingehouden woede in snel tempo afwisselen. Volgens het rapport dat bij de aanvraag voor een definitieve plek in een verpleeghuis hoort, is hij een “standaard dementerende casus”. Geen leervermogen, geen inzicht in zijn ziektebeeld. “Daarom gaan we ook het gesprek niet meer met hem aan”, besliste de zorgmanager van het huis waar hij naar toe is gebracht om te revalideren eerder. “Dat kunnen we hem niet aandoen. En hij zal toch ‘nee’ zeggen.” Met een rechterlijke machtiging moet het wel lukken hem te laten verhuizen.
Hoe vaak kun je iemand verraden, vraag ik me af, terwijl ik naar de samengeperste lippen van mijn vader kijk. “Ik vind mezelf net een misdadiger in de gevangenis, die bewaking bij zich heeft”, doelt hij op de vrijwilligster die op een meter afstand zit. Hij weet nog steeds niet dat naar huis gaan echt niet meer kan. Ik had tijd willen kopen om eerlijk te zijn. Hem met een arm om zijn schouder willen vertellen dat we de op één na beste plek voor hem hebben gevonden, dichtbij huis. Dat doe je niet aan de telefoon of met vensterglas tussen je in.
“Je bent geen misdadiger”, sust mijn moeder.
“Ik word gestraft, zo voel ik het.” Zijn stem klinkt veel te zacht voor zijn boosheid door het krakende speakertje. “Hoeveel jaar krijg ik nog?”

In gesprekken met zorgmanagers, verpleeghuisartsen en het Centrum Indicatiestelling Zorg spuug ik mijn woorden iedere dag venijniger door de telefoon. Dat mijn vader plaats moet maken voor nieuwe revalidatiepatiënten, begrijp ik heus. Dat er wachtlijsten zijn ook. Niet dat een vreemde bepaalt dat een jaar overbruggen in een zorgcentrum te veel bus- en metrohaltes van mijn moeder vandaan best okee is. “U gaat zelf toch ook niet wonen in een huis dat u niet van binnen heeft bekeken, in een buurt waar u zich niet thuisvoelt?” En nee ik wil hem ook niet laten wonen in die ene christelijke instelling, ook al zijn ze daar “niet zo heel erg praktiserend”.
De stemmen aan andere kant van de lijn blijven steevast vriendelijk, soms druipt de bereidheid tot hulp ervan af. “Maar met de rechterlijke machtiging kan hij niet bij ons terecht”, klinkt de afwijzing van het verzorgingstehuis op struikelafstand van thuis een week later alsnog. “Ik had verwacht dat ze daar niet zo moeilijk over zouden doen”, reageert zijn behandelend arts op de beslissing van de concurrerende instelling. “Die machtiging vind ik eigenlijk ook een te zwaar middel voor hem, maar in coronatijd kunnen we niet anders.” Ze begrijpt het heel goed als ik daar een rel van wil maken.

“Jij bent vandaag het moederdagcadeautje.” Dat had ik misschien niet moeten zeggen. De ogen van mijn vader veranderen in rooddoorlopen meertjes. “Daar denkt meneer Rutte niet aan. Die gaat over steen en been.” Tussen het glas en mijn vader verschijnen drie opgestoken vingers van de vrijwilligster die ons etalagebezoek regisseert. Nog 180 tellen.
“Het is bijna afgelopen, Jan.”
“Ik ga weer naar mijn cel.”
Uit de meertjes stroomt het water naar zijn kin.

Twee maanden geleden had ik de afscheidsspeech voor mijn vader al geschreven. In mijn hoofd dan. Op papier wilde het niet lukken. Het voelde alsof ik hem met mijn pen eigenhandig de dood in zou jagen. Alleen de titel stond al boven mijn verhaal-in-wording: ‘De Dood Stinkt’. Corona leefde alleen nog in China.

Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen en bril
Sandra van Steen

Sandra van Steen

is journalist, docent journalistiek en mantelzorger

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top
X