skip to Main Content
Liefde In Tijden Van Corona (2)

Liefde in tijden van Corona (2)

Dat ik het niet meteen had gezien. In het metershoge kunstwerk herkende ik eerder al wel het bolvormige symbool van corona, dat mijn moeder en mij ver bij mijn vader uit het zicht houden. Nu we nog eens een rondje om het zorgcentrum lopen, zie ik opeens dat de parachuutjes van de metalen paardenbloem worden gevormd door meer dan honderd wasbakjes, vuil van weer en wind. Hier zijn al heel lang geen handen meer gewassen.
Vanaf een bankje naast het kunstobject gissen we welk raam bij de kamer van mijn vader hoort. Één keer ben ik er – semi-illegaal – binnen geweest. Vijf weken geleden. Snel maakte ik toen een foto van de bomen en de coronabol verderop, zodat mijn moeder ook kon zien wat het uitzicht van mijn vader zou zijn als zijn rolstoel hem niet klein hield. Vanaf die tijd behelpen we ons met de telefoon.

“Sorry, dat ik je weer bel, maar ik heb al heel de dag niets van je vader gehoord.” Het is half tien in de avond, mijn moeder is de wanhoop nabij. Alle berichten over het voortrazende virus in verpleeghuizen doen haar geen goed. En dan weet ze nog niet eens dat ik wekelijks een corona-update ontvang, waarin melding wordt gemaakt van de zieken en doden in het huis waar mijn vader verblijft. “Ik heb de receptie wel acht keer gebeld en dat nummer van de afdeling ook, maar ze nemen niet op. En zijn telefoon staat uit!” Het is niet de eerste keer.
Ik moet denken aan Saskia in het Gouden Ei van Tim Krabbé: “Toen ze klein was had ze gedroomd dat ze opgesloten zat in een gouden ei dat door het heelal vloog. Alles was zwart. Er waren niet eens sterren, ze zou er altijd in moeten zitten, en ze kan niet doodgaan. Er was maar één hoop. Er vloog nog zo’n gouden ei door de ruimte, als ze tegen elkaar botsten zouden ze allebei vernietigd zijn, dan was het afgelopen. Maar het heelal was zo groot!”

Mijn ouders zijn digibeten. In het oude normaal was dat nooit een probleem, zelfs met mijn gebrekkige technische kennis kon ik alles voor ze oplossen. De mededeling van mijn moeder dat de “iPad gerecycled” moest worden, is al jaren een geslaagde anekdote. Om die reden verstopte ik alle apps in een mapje op pagina drie toen ik een oude telefoon voor mijn vader meebracht naar het ziekenhuis. Op de openingspagina zette ik icoontjes met foto’s van mijn moeder en mij, zodat hij ons gemakkelijk kon bellen. Tot zijn tegoed van dertig euro anderhalve dag later en hij inmiddels verhuisd was naar de revalidatiekliniek, op bleek. Wij hadden hem in die tijd ieder slechts een paar minuten aan de lijn gehad.
Verpleegkundigen hebben FaceTime in het verstopte mapje ontdekt. Daarmee krijgen we een minuscule blik in het dagelijks leven achter gesloten deuren. “Kijk, daar is Sandra.” Half achter mijn vader glundert een lieve kleuterjuf in een wit uniform. Hij zegt dat hij naar huis wil. Wat hij heeft gegeten, weet hij niet meer. We sturen luchtkussen. FaceTime is eenrichtingsverkeer. Mijn vaders telefoon blijkt nog gekoppeld aan mijn Apple ID, waardoor hij alleen contact met ons kan zoeken. Wie mijn vader wil bereiken, krijgt automatisch mij te zien. Geen idee of en hoe ik dat kan veranderen op afstand.
Soms meldt mijn moeder dat ze elkaar vandaag wel vijf keer hebben gesproken, soms gaat haar telefoon en lukt het toch alsmaar niet om elkaar te zien of horen. Voor de verpleging houdt het ook een keer op. Soms ziet hij er goed uit, soms verschijnt hij bleek en ongeschoren in een wit t-shirt vol vlekken. Soms wandelt hij weer in het winkelcentrum, hopeloos op zoek naar een manier om thuis te komen, steeds vaker klinkt hij als zijn oude zelf. Vooral in de middag, als hij nog uitgerust is.

Mijn vader videobelt als ik in de supermarkt loop. “Ik weet niet wat ik moet doen.” Het klinkt een beetje verveeld, als een kind dat te lang niet naar school hoeft. “Kijk anders op je iPad”, opper ik. Thuis klikte hij urenlang tussen de nieuwtjes van de regionale omroep en de NOS of bekeek foto’s die hij in betere tijden maakte. In de revalidatiekliniek lijkt hij verloren tussen de gezamenlijke ruimte en zijn kale slaapkamer. Behalve kleding bezit hij er niets meer dan die iPad, een radio en een lijstje met daarin het staatsieportret waarop ik samen met mijn ouders poseer ter gelegenheid van hun zestigjarig huwelijk.
“Kan jij wel naar buiten?”, vraagt hij. Ik maak een pirouette tussen de pastasauzen en limonade en laat de vriesvakken met ijs en friet zien. “Gezellig hè, samen winkelen.” De vernietigende blikken van mensen die op anderhalve meter snel hun boodschappen in karretjes gooien, negeer ik. “De vrijheid van de een mag niet ten koste gaan van de gezondheid van de ander.” Die zin uit de persconferentie van Mark Rutte spookt al de hele week door mijn hoofd.

Over wiens vrijheid heeft Rutte het eigenlijk? En over wiens gezondheid? Zijn het wel tegenstellingen? Waar anderen nog enige bewegingsruimte houden, hebben de meest hulpbehoevenden iedere schamele centimeter vrijheid ingeleverd. En toch sterven in verpleeghuizen in het hele land mensen bij bosjes sneller dan gebruikelijk. Wat is de kip en wat is het ei? Moeten de zwakken worden beschermd voor de rest van de samenleving of zijn het de zwakken die een bedreiging vormen voor anderen?
Voor zijn operatie hebben we besloten dat mijn vader niet meer gereanimeerd zal worden als zijn hart het laat afweten. Kwaliteit van leven voor kwantiteit. Hoeveel tijd met een lange ij is daarvoor nog? Op zijn vroegst volgende week beslist het kabinet over een experiment met één bezoeker per zorgbewoner. Ik gun het vooral mijn moeder van harte dat mijn vader proefkonijn wordt. Misschien zijn zij wel de gouden eieren.

Voor sommige mensen is de verpleegvesting al iets minder onneembaar. Op het terras zitten geluksvogels die op de begane grond wonen. Achter een rood-wit lint hun familie. Wij zijn nooit verder gekomen dan de ingang. Tussen vier schuifdeuren mogen we twee keer per week – op vastgestelde tijden – de was komen halen en afleveren bij een vrijwilligster. In koor schreeuwen mijn moeder en ik naar een open raam op de derde: “Jan! Jan!” Vijf weken van wanhoop en praktisch handelen hebben zich opgehoopt tot woede. Om de hoek ontdek ik A4’tjes tegen de ruit van een kamer op de eerste verdieping met de tekst ‘HIER KUNT U ZWAAIEN!!!’.

“Mag mijn vader ook voor het raam”, bel ik de receptie. Ik word doorverbonden. Even later duwt een verpleger mijn vader in zijn rolstoel het balkon op, de telefoon van de afdeling is even van hem. “Ik ben zo blij dat ik je zie”, zwaait mijn moeder in tranen naar hem. “Ik zat te eten”, antwoordt mijn vader. “Brood met aardbeienjam.”
Of we naar boven willen komen. “Mag dat niet? Wat een onzin!”
“Ik ga er een stukje over schrijven, pap.”
“Doe dat maar. Dat is hard nodig.”

Vanavond zal hij me weer bellen. Of ik mijn moeder wil vertellen dat hij iets later thuis komt. Hij krijgt net een kopje koffie van de mevrouw van de supermarkt.

Afbeelding kan het volgende bevatten: lucht en buiten
Afbeelding kan het volgende bevatten: schoenen, lucht en buiten
Sandra van Steen

Sandra van Steen

is journalist, docent journalistiek en mantelzorger

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top
X