Kunnen “Lopen” zit in zijn hoofd

Sinds mijn echtgenoot niet meer kan lopen, zit het in zijn hoofd dat eens toch weer te kunnen doen.

Ik snap dat, want lopen is iets natuurlijks, iets wat hij heeft gekund, en dan nu al drie jaar “gevangen” zitten in een rolstoel, dat is een hard gelag.

De fysiotherapeut heeft tegen hem gezegd dat het kunnen lopen iets is wat zich in zijn hoofd afspeelt: hij  denkt dus dat te kunnen, maar het zal volgens haar niet gaan lukken.

Gezien het feit dat zijn rompbalans niet optimaal is, zijn linker onderbeen iets naar binnen gebogen staat qua stand, deel ik haar mening. Ook moet het verantwoord zijn.

Mijn echtgenoot kan zijn linkerbeen een beetje gebruiken; het is niet meer volledig verlamd, maar datzelfde been belasten met lopen, dat is toch iets anders.

Hij wil echter niet van opgeven weten, en het is een terugkerend frustrerend gespreksonderwerp.

Ik weet van hem dat hij het zelf moet/wil ervaren dat het echt niet meer gaat, en gelukkig reageert de fysiotherapeut positief op mijn verzoek dit “experiment” met hem aan te gaan, inmiddels ook wetende dat er anders geen berusting in komt.

Ze gaat met hem het gesprek erover aan, legt uit dat ze het twee keer met hem gaan proberen, waarvan ik de tweede keer getuige mag/zal zijn, en dat als het niet lukt, het echt een afgesloten hoofdstuk gaat worden.

Hij moppert dat ze het maar twee keer gaan proberen; “Ja”, zeg ik, “maar ze proberen het wel, ze hadden ook gelijk “nee” kunnen zeggen”.

Mijn echtgenoot denkt dat als hij het maar vaak genoeg probeert, het dan toch een keer zal lukken, en over het algemeen geldt dat misschien wel, dat de aanhouder zal winnen, maar als er iets “stuk” is, is het toch wat anders.

Bij de tweede poging heb ik hier net weer noodgedwongen een schilder in huis rondlopen, maar als de tweede poging hierom uitgesteld zou worden, dan moet mijn eega drie weken wachten, omdat de fysiotherapeut dan met vakantie gaat, en mijn echtgenoot zo lang laten wachten, dat wil ik hem niet aandoen.

Dus ik zal er even tussenuit moeten dan.

Ondertussen werd mij gevraagd om de laatste avond van de Avondvierdaagse te lopen met mijn middelste kleindochter, en dat vind ik een leuk idee, dus dat gaan we doen.

Het is op een vrijdag, dus dat betekent dat mijn echtgenoot een keertje niet naar huis zal kunnen komen, maar daar heeft hij alle begrip voor.

Eerst op de fiets naar kleindochter toe, dan samen fietsend naar het startpunt, en daar met de hele meute de 5 km gaan lopen. Dat valt niet mee, een beetje lekker lopen in zo’n grote mensenmassa, maar we doen ons best. Kleindochter merkt op dat dit de saaiste avond is qua wandelroute, en inderdaad is de route niet bijzonder, maar ja, we lopen samen, en dat doen we ook niet elke dag, dus het is toch leuk.

Daarna, als we bij haar thuis aankomen, zegt ze dat ze de fiets in de schuur gaat zetten, en vraagt mij naar de voordeur te gaan. Zo gezegd, zo gedaan.

Kleindochter laat mij binnen en vraagt of ik iets wil drinken, en ze kan ook koffie zetten voor mij, zegt ze.

11 Jaar en dan al zo’n gastvrouw. Leuk, hoor!

Mijn echtgenoot belt de volgende dag en zegt dat hij de vorige dag weer een aanval had gehad.

Dan vraagt hij of ik nu uitgeraasd ben. Huhh? Uitgeraasd? Ik?

Ik merk op dat ik hierbij eerder aan hem zelf denk, want hij was een hele week boos geweest.

Een week van woede opkroppen, en ontlading daarvan middels die epileptische aanval.

Het heeft wel “gewerkt”, want hij voelt zich nu weer kiplekker, zegt hij zelf.

Na een week van telefoneren, mailen en een klachtenformulier invullen, word ik uiteindelijk teruggebeld door de rolstoelleverancier, met de mededeling dat er nu werk gemaakt gaat worden van de reparatie.

Zal mij benieuwen wanneer dat uiteindelijk zal gebeuren.

Wanneer ik mijn echtgenoot weer zie, voorafgaand aan de natuuractiviteit, valt mij op dat hij er moe uitziet.

Hij zegt dat er ‘s nachts weer een aanval dreigde, en dat hij amper heeft kunnen slapen.

Ik haal de neusspray op bij de zorg.

Amper buiten meldt hij dat hij een aanval dreigt te krijgen, en ik vraag mij af of het ophalen van de neusspray die gedachte triggert.

Ik probeer zijn aandacht af te leiden, en gelukkig blijft de aanval uit.

‘s Avonds ga ik samen met een andere echtgenote en vier heren van de afdeling, inclusief de onze, naar de herensoos, waar we voor één keer (per jaar) bij mogen zijn.

Er is ook nog een live optreden van een amateur zanger.

In zijn pauzes wisselen de andere echtgenote en ik nog wat herkenbare ervaringen met elkaar uit.

Haar man denkt eveneens te kunnen lopen, en bij hem zit dat net zo in zijn hoofd..

Zij zegt dat ook tegen mijn echtgenoot, en ik zie dat hij daar niet goed op reageert.

Gelukkig merkt ze dat zelf ook.

Hij wil er niet over horen, want dat is tegen het zere been.

 

 

 

 

 

 

Mayke de Vries is na een carrière in de zorgsector nu vooral mantelzorger voor haar partner, die helaas na een grote hersenbloeding in oktober 2019 in een zorginstelling kwam te wonen. Zij schrijft op Mantelzorgelijk over de veranderingen in hun leven.

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top