skip to Main Content

Het verleden

Toen ik 18 was, kwam ik in Haarlem wonen.

Via de vriend van een zus ging ik op tafeltennis bij een club, waar ik een leeftijdsgenootje ontmoette met wie het altijd heel gezellig was.

We gingen ook samen competitie spelen.

Veel clubleden waren al wat ouder, dus wij waren samen de jonkies en dat schept ook een band.

Een paar jaar later kwam mijn toenmalige echtgenoot ook bij de club, via mij.

De tafeltennisvriendin en ik verloren elkaar uit het oog, toen we na een paar jaar afknapten op het competitie spelen, het late thuis zijn na een wedstrijd, en allebei de club verlieten, want zomaar wat “pingpongen” dat was het ook niet.

Vorig jaar kwamen de tafeltennisvriendin en ik elkaar bij toeval weer tegen, bij de plaatselijke drogist, waar zij nu werkt.

Blijkbaar zijn we in in al die jaren weinig echt veranderd, want we herkenden elkaar gelijk.

Echt praten kan dan natuurlijk niet, en laatst vroeg ze mij daarom eens bij haar thuis af te spreken en met een “bakkie” even wat bij te kletsen.

Aldus geschiedde, en het was ouderwets gezellig.

Veel overeenkomsten tussen ons, qua eerste relatie, qua persoonlijke ontwikkeling.

Zij vond toen al dat mijn eerste echtgenoot zo onaardig tegen mij deed.

Ja, dat vond ik ook, maar na een jeugd waarin er ook weinig aardige woorden waren, was dat ook “normaal”.

Het heeft bij ons allebei jaren geduurd voor we tot het besef kwamen dat het toch niet zo normaal was, en dat was het begin van het einde van deze relaties.

Op zich wel fijn om ondertussen van meerdere kanten de bevestiging te hebben gekregen dat het maar goed is dat het eerste huwelijk geen stand heeft gehouden.

De tafeltennisvriendin is inmiddels al weer jaren gelukkig met een nieuwe liefde, en ze vindt het zo triest om te horen dat mijn tweede huwelijk om andere redenen ook niet is geworden wat de bedoeling was.

Tja, ik vind het ook niet eerlijk, maar het is zoals het is.

Zij zou het tafeltennissen met mij wel weer willen “oppakken”, recreatief.

Ik moet erover nadenken: ik ben de meeste avonden in de zorginstelling, en een avondje thuis op de bank met een boek is toch ook wel fijn, maar goed, met corona in beeld heeft mijn beslissing nog geen haast.

Op donderdag doe ik altijd de wekelijkse boodschappen, dat weet mijn eega ook.

’s Avonds belt hij mij ongerust op of ik nog niet terug ben van boodschappen doen.

Ik heb hem nooit op hoeven bellen daarvoor, maar opeens is het belangrijk.

Hij maakt zich ook zorgen of zijn zoon zondag wel zal komen.

Hij is een aantal keren niet geweest, dus zal wel nu, maar zeker weten doen we het niet en die onzekerheid kent hij, maar kan hij slecht hanteren, wat ik op zich goed kan begrijpen.

Gelukkig komt dat goed, en hij heeft ook weer geprobeerd om te lopen, maar het ging niet, dus ze zijn ermee gestopt.

Op de dinsdagmorgen hanteer ik voor mijzelf een strak tijdschema, zodat ik in de middag op tijd bij de zorginstelling kan zijn voor de natuuractiviteit.

Dan word ik om 12.30u gebeld door de afdeling dat mijn eega een groot epileptisch insult heeft gehad en de rest van de dag in bed zal blijven.

O jee, dan is het wel erg, want meestal knapt hij redelijk snel weer op.

Nou, dan gaat de natuuractiviteit dus ook niet door; heb ik mij voor niks gehaast.

Ik zeg maar niet dat ik graag eerder geïnformeerd had willen worden, want het is nu toch al te laat.

Even ben ik besluiteloos met wat te doen, maar dan ga ik toch naar de natuuractiviteit; als ik mijn eega niet kan helpen, dan zijn er wel anderen die hulp kunnen gebruiken, bovendien is het een gezellige groep van begeleiding, vrijwilligers en bewoners, en ik voel mij in hun midden thuis.

Zoals sommige lezers weten, heb ik zelf aan beide handen een aangeboren handafwijking.

Eén deelneemster/bewoonster aan de natuuractiviteit heeft ook een handafwijking, maar dan aan één hand.

Ik had dat al eerder gezien, zij mijn handen niet.

Verrast roept zij uit dat ik hetzelfde heb als zij.

Er is wel een verschil: het mijne is een genetisch defect, het hare is ontstaan door afknelling door de navelstreng.

Nog een ander verschil daardoor, is dat het mijne symmetrisch is, en aan beide handen, waardoor het ook dominant erfelijk was/is, met 50 procent kans per zwangerschap dat een kind van mij het ook zou krijgen; dat heb ik laten uitzoeken door een erfelijkheidsdeskundige destijds.

Ik was nog jong en idealistisch, daardoor deels blind voor de wijze waarop ik destijds zelf psychisch gezien met mijn handicap omging, maar vooral dacht dat ik een kind met “hetzelfde” in ieder geval beter zou kunnen steunen en begeleiden, omdat ik dat vroeger heb moeten ontberen.

De erfelijkheidsdeskundige was een aardige man en vond (ook) dat als ik vanwege de mogelijke erfelijkheid van kinderen af zou zien, dat ik dan in feite mijzelf daarmee afwees, en het was toen ook niet voor 100 procent zeker dat het inderdaad dominant erfelijk zou zijn, maar ik moest daar wel van uitgaan.

Afijn, zoals gezegd jong en idealistisch, zijn er inderdaad twee kinderen gekomen, volkomen gezond, gelukkig.

Jaren later, toen ik graag een derde wilde, toch twijfels had of het nu inderdaad wel erfelijk was, opnieuw erfelijkheidsonderzoek gehad.

Inmiddels veel meer bekend, vooral vanuit Amerika, kreeg ik het dringende advies om het lot niet te tarten en blij te zijn met de twee gezonde kinderen die ik had..

Mijn kinderen hebben inmiddels ook gezonde kinderen; ik was en ben de enige in mijn “soort” gebleven..

 

 

 

 

 

 

 

Mayke de Vries

Mayke de Vries is na een carrière in de zorgsector nu vooral mantelzorger voor haar partner, die helaas na een grote hersenbloeding in oktober 2019 in een zorginstelling kwam te wonen. Zij schrijft op Mantelzorgelijk over de veranderingen in hun leven.

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top
X