Het strijdende echtpaar Vermeer

BELANGRIJKE VERPLEEGHUIS CASUS:

‘Hou nou toch eens op, debiel, dat weet je toch nog wel!’ Geïrriteerd zet hij het mes in zijn boterham en brengt een hap naar zijn mond.’

‘Nou, je hoeft niet zo ge… ge…’

De kaken van meneer De Vries bewegen met geweld op en neer. Bij iedere opwaartse beweging gaat zijn mond open, zodat hij doet denken aan een vis op het droge.

Zijn vrouw laat zich niet uit het veld slaan en gaat voor de herkansing. ‘Echt zo ge…’

Zijn kaken komen tot stilstand. Met een zucht kijkt hij naar de overkant van de tafel, naar de vrouw die hij al zestig jaar zijn echtgenote mag noemen. ‘Gemeen, dat bedoel je. Gemeen!’ Hij rolt met zijn ogen.

‘Dat weet ik… ik heus wel… hoor.’ Het spreken kost haar zichtbaar moeite. Ze pakt een boterham uit het mandje en probeert hem met een vork doormidden te snijden.

‘Kom maar.’ Geïrriteerd trekt hij de vork uit haar mond. ‘Zo moet dat, zo!’ Met een klap zet hij het bord weer voor haar neus neer, waar het al dansend tot stilstand komt.

Steeds vaker voelde ze de behoefte opkomen om hem een klap in zijn gezicht te geven.
In haar gedachten had ze hem al duizend keer een dreun verkocht: op zijn veel te brede voorhoofd, zijn uitpuilende oogkassen waardoor hij enkel meer op een vis begon te lijken, zijn veel te kleine neus, zijn lange puntige kin. Ja, hij was lelijk, altijd al geweest. In het verpleeghuis viel het wel minder op, dat moest ze toegeven. En met zijn 86 jaar had hij inmiddels een leeftijd bereikt waarop zijn ouderdom een excuus vormde voor zijn aftandse aanblik. Het was beslist een ‘moetje’ geweest.
Moetje. Ze had het woord altijd schattig gevonden. Het was waarschijnlijk ook het enige schattige aan hun huwelijk, dat ze zo wonderbaarlijk lang had volgehouden. Seks hadden ze niet meer, en ze sliepen al jaren in aparte bedden. Iets wat haar ergernis overigens niet verminderde.

Zijn gesnurk ging altijd al door merg en been, maar de laatste tijd laste hij op geheel onvoorziene momenten een pauze in, waardoor je eigenlijk niet veel anders kon dan wachten tot de volgende reeks penetrante keelklanken zich aandiende.
De jaren met de kinderen hadden zeker enige verlichting geboden in de sleur van hun bestaan. Bastiaan deed het erg goed op school, daar moest ze dankbaar voor zijn. En Vera vloog al jong uit voor een collegeship in New York. Ze was trots op allebei haar kinderen.

Haar eigen komaf was betrekkelijk eenvoudig, net als die van Gerrit overigens. Allebei kwamen ze uit een boerengeslacht, maar zij had iets werelds. Exotisch zelfs, met haar donkerbruine krullen, volle lippen en kleine wipneusje dat verrassend veel zei over haar karakter: grappig en gevat, gedurfd. Aan aandacht had ze geen gebrek, en eerlijk gezegd dacht ze alle tijd van de wereld te hebben om een goede man uit te kiezen. Tot de achterbuurjongen haar een keer mee uitvroeg naar de plaatselijke bioscoop.

Gerrit was onbeholpen en uiterst onaantrekkelijk met zijn grove gelaatstrekken, maar zijn vraag dwong respect af. Daarnaast was ze bevreesd dat een afwijzing verstrekkende gevolgen zou hebben voor zijn verdere leven, en dat wilde ze niet op haar geweten hebben. Eigenlijk deed ze het meer voor zichzelf dan voor hem. Wat er die avond verder gebeurde, was louter en alleen het gevolg geweest van te veel drank. Een slap excuus, vond ze zelf, maar het was de waarheid. Het moetje was een feit.

Ze had het allemaal volgehouden, in de veronderstelling dat ze er op een dag rijkelijk voor beloond zou worden. Ze was een goede echtgenote voor hem geweest. Ze deed zijn administratie, kookte zijn lievelingskostjes, bracht twee kinderen groot, zette zijn knopen aan, vermaakte zijn broeken, die steevast te lang waren voor zijn knokige korte benen, poetste het huis, hielp mee op de boerderij.

Ze deed eigenlijk alles voor hem, zonder ook maar iets terug te verlangen.

‘God, God, moet je nu ook al gevoerd worden? Het is toch niet te geloven?!’

Ze staart naar haar in stukjes gesneden boterham met jam en kijkt daarna de tafel rond. Het lijkt zo eenvoudig, maar zij slaagt er maar niet in: ontdekken hoe het moet, deze handeling die ze haar hele leven gedachteloos heeft uitgevoerd. Eten. Een vork in een boterham steken en naar de mond brengen.

Het is waar. Vera heeft het mij verteld. Tijdens een familiegesprek twee weken geleden. Ook toen vloeiden er tranen. ‘Ze is de liefste moeder die ik ken,’ dat zei Vera.

‘Mevrouw Vermeer?’ Ik leg mijn hand op haar hoofd. ‘Heel eerlijk, ik mag u ook heel erg graag. Als u dat goedvindt.’ Ik leg mijn arm om haar heen en zwijg even. Niet omdat ik niet weet wat ik moet zeggen, maar omdat woorden nu zo weinig toevoegen.

Ze kijkt nog eens naar de foto en drukt hem tegen haar hart. Ze probeert weer iets te zeggen, en zoals zo vaak begrijp ik het niet.

Ik laat haar even los en pak een pen uit mijn tas. Ik kan het proberen. ‘Kunt u het opschrijven?’ Langzaam beweeg ik mijn pen over de achterkant van het papier.
Ze kijkt ernaar, maar dan draait ze haar hoofd weg. Net wanneer ik de pen weer wil opruimen, pakt ze hem vast. Ze klemt hem voorzichtig tussen haar vingers en drukt de punt in het papier. Dan schudt ze haar hoofd en legt hem neer.

‘Probeer maar, ik zal niet kijken.’

Ik draai mijn hoofd een kwartslag en zie vanuit mijn ooghoek langzaam een halve cirkel verschijnen, en nog een. Ze raken elkaar. En vervolgens twee kleine cirkeltjes erbovenop. Dan denk ik het te zien. Het moet een hart voorstellen. Ze trekt er een grote streep doorheen.

‘Gebroken hart?’ vraag ik.

Ze knikt.

‘Uw hart is gebroken.’

Dan krast ze met de pen over het vel tot er bijna geen stukje wit meer over is. Ze drukt met haar vinger op haar voorhoofd tot de huid wit uitslaat.

‘Zo voelt het in uw hoofd? Het is een warboel in uw hoofd?’

Weer knikt ze.

Ik pak het papier op en bestudeer het. Dit is wat veel mensen met dementie voelen. Warboel in het hoofd. Sommige omschrijven het als ‘watten’, anderen voelen zich ‘verdoofd’. Of ‘slaperig’. Mevrouw Vermeer beeldt het uit met gekras.
Ze legt de pen neer en staat dan plots op, zonder een woord te zeggen. Met haar handen zet ze zich af op tafel. Ze loopt weg. Op haar sandaaltjes schuifelt ze door het restaurant, langs de receptie, de vergaderruimte en het winkeltje. Bij het grote raam in de centrale hal blijft ze staan.

Ik kijk naar de lege stoel naast mij, naar haar versleten tasje op de grond. Het staat er nog, ze is het vergeten. Net als de foto van de kleine Vera en Bastiaan. Ik stop de foto in de tas, gooi die over mijn schouder en loop op haar af. Mevrouw Vermeer tuurt naar buiten, met haar kleine schoudertjes licht voorovergebogen. Ik zet het tasje naast haar neer. Ze merkt het niet. Misschien wordt haar aandacht gevangen door de grote eikenboom, de lantaarnpaal, de plastic tuinstoelen of de vijver met eenden. Ik weet het niet. Misschien gaat alles langs haar heen.

Even wil ik alleen maar dicht bij haar zijn. Het liefste zou ik haar meenemen naar een plek heel ergens anders, maar het kan niet, ik heb nog maar tien minuten. Ik zou natuurlijk kunnen vragen of ze zin heeft om met mij een stukje te wandelen door de tuin. De buitenlucht doet haar misschien goed. Ik besluit het erop te wagen.

‘Mevrouw Vermeer?’

Geen reactie. Zachtjes raak ik haar hand aan, en dan kijkt ze mij eventjes aan.

‘Wilt u met mij naar buiten, een stukje wandelen, daar?’ Ik wijs naar de vijver. ‘We kunnen met een rolstoel gaan, als u wilt.’

Ze schudt haar hoofd. Heel kort verschijnt er een glimlachje op haar gezicht, maar dan tuurt ze weer naar buiten.

‘Nee?’

Mevrouw Vermeer antwoordt niet meer.

Het was waarschijnlijk ook een slecht idee. Misschien moet ik niet proberen haar in een andere stemming te brengen, haar te plezieren, op te beuren, te troosten. Of haar op andere gedachten te brengen. Misschien moet ik er gewoon voor haar zijn, zoals ze nu is. En dus kijken we samen zonder een woord te zeggen naar de eenden in de vijver.

Voetnoot: regelmatig worden mensen uit elkaar gehaald omdat een van de partners aan dementie lijdt en wordt opgenomen in een verpleeghuis. Dit zorgt vaak voor veel verdriet. Toch kun je soms niet anders dan ingrijpen, omdat een huwelijk nu eenmaal verandert door dementie. Meneer en mevrouw Vermeer lijden beiden aan dementie en wonen op een psychogeriatrische afdeling. Om ze te beschermen tegen elkaar, hebben we na beraad ervoor gekozen dit echtpaar twee aparte kamers te geven. Samenleven lijdt in dit geval tot veel strijd, stress, verdriet en een snellere achteruitgang.

www.dementieintheater.nl

Het is mijn missie als ouderenpsycholoog om de 'binnenwereld' van de mens met dementie, de naaste en zorgprofessional te onthullen. Zodat we met meer begrip en kennis eindeloos véél voor hen kunnen betekenen. Achter het gedrag gaat een rijke belevingswereld schuil. Als we haar kennen, worden de mogelijkheden immens. Door middel van muziek, theater en psychologie neem ik u mee in deze bijzondere wereld. Voor meer info: www.dementieintheater.nl

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top