Gastblog van Sarah Blom, ouderenpsycholoog #dagmama #dementieinhettheater

Mevrouw Geuter met dementie (89) stalkt haar zorgpersoneel maandenlang, maar dan wordt ineens duidelijk waarom!

‘Hééé, Hééé, Hééé! Kom hier, kom hier, kom hier! Hééé, hééé, hééé, kom hier, kom hier…!’ Driftig slaat ze met haar hand op tafel. Haar gezicht is rood aangelopen, en met wijd opengesperde ogen kijkt ze de woonkamer rond. Ze laat haar hoofd even zakken, zuigt een nieuwe ademteug binnen en vervolgt, minstens drie decibel harder: ‘Godverredomme, kom hier!!! Nuuuuuhuuuuhuuuhuuuu.’ Met haar benen schopt ze tegen de tafelpoten. Haar magere gezicht wordt getekend door een palet aan beurse plekken: geel, blauw en alle kleuren ertussenin.

Brigitte staat in de keuken en kijkt mij moedeloos aan. Vermoeidheid tekent zich af op haar gezicht. Ze legt haar handen op het aanrechtblad en trekt haar schouders op. Dan kijkt ze naar het plafond. Vier dagen bijna onafgebroken luisteren naar het roepgedrag van mevrouw Geuter heeft zijn tol geëist.

Brigitte werkt dagen achtereen, is alleenstaand moeder van drie kinderen en zorgt voor haar vader met parkinson-dementie. De dementie dringt steeds verder haar privéleven binnen en put haar langzaam uit. En toch, telkens wanneer je de vraag stelt ‘Hoe gaat het met je?’ is er dat ene simpele antwoord: ‘Goed.’ Ik mag haar graag.

Ik leg mijn kladblok neer en loop op haar af. ‘Mag ik een arm om je heen slaan?’

Ze antwoordt niet en staart voor zich uit.

Ik leg mijn hand op haar hand. ‘Brigitte, ik weet het, het is superklote. Loop even met mij mee. Ik zal Eva vragen je huiskamer te bewaken.’

Ze loopt achter mij aan de lift in. Gespannen wrijft ze met haar hand over haar voorhoofd.

Het vele roepen van mevrouw Geuter is haar duidelijk te veel geworden. Dagelijks geconfronteerd worden met geluidsoverlast ondermijnt op een bepaald moment echt je gezondheid. Je bloeddruk neemt toe, je krijgt last van hoofdpijn, gevoelens van somberheid en ga zo maar door. Ze kan zich er niet voor afsluiten.

Met Brigitte aan mijn arm stap ik de tuin in. ‘Doe mij na.’ Ik haal diep adem en blaas uit.

Brigitte kijkt mij een beetje onwennig aan.

‘Ik weet het, ik zie er niet uit, maar doe maar even mee.’

Ze lacht zenuwachtig, zuigt voorzichtig wat zuurstof haar longen in en blaast uit. Samen staan we een halve minuut te puffen onder de eikenboom.

‘Nog één keer,’ zeg ik doortastend ‘En nu helemaal strekken, goed zo. Hoe voel je je?’

‘Sarah, het is geen doen. Ik wil haar aanvliegen, en als ik het aankaart, wordt er te weinig mee gedaan. Ze moet meer medicatie. Meer. Echt meer. De bewoners worden er ook gek van.’

‘We moeten haar drogeren,’ zeg ik op uiterst serieuze toon.

‘Drogeren?’ vraagt Brigitte. ‘Nou, wat ik bedoel…’

‘Nee, nou niet terugkrabbelen. We moeten haar gewoon onder zeil brengen, drogeren, uitschakelen.’ Dan begin ik te stampvoeten en zeg: ‘Drogeren, onder zeil, uitschakelen. Drogeren, onder zeil, uitschakelen… Brigitte, kom op, doe even mee.’

Ze kijkt mij verbaasd aan, trekt dan haar been langzaam omhoog en spreekt zachtjes de woorden uit. ‘Drogeren, onder zeil, uit…’

‘Kom op, dat kan beter. Pak het ritme van mevrouw Geuter,’ zeg ik al stampvoetend. Even voel ik me net Olga Commandeur van Nederland in Beweging.

Brigitte krijgt de smaak te pakken en begint te lachen. Ik lach mee, en het duurt niet heel lang voor we de slappe lach krijgen. ‘Drogeren, onder zeil, uitschakelen.’

Ik sla mijn arm om haar heen.

‘Ik weet het ook gewoon even niet meer,’ zegt ze. ‘Ze is ook best lief, hoor.’

‘Ik weet het. Ik ga ermee aan de slag, Brigitte. Samen komen we tot iets, linksom of rechtsom.’

‘Ik vond dit wel even leuk. Niet zo suffig op een kantoortje zeggen hoe je je voelt.’

‘Dat weet ik toch allang,’ zeg ik lachend. ‘Klote.’

We stappen de lift in. Blonde krullen dansen in haar vermoeide gezicht. Ze heeft donkere kringen onder haar ogen en leunt tegen de wand. Even wil ik haar vragen of ze het nog allemaal een beetje volhoudt, thuis en zo, maar ik doe het niet. Al dat vragen naar de bekende weg put haar misschien nog wel het meeste uit. En dus staan we schouder aan schouder in de lift, die tien knopjes telt. Met iedere verdieping die we passeren, lijkt de ademhaling van Brigitte zwaarder te worden, al kan het dat ik mij dit verbeeld.

Dan komt de lift tot stilstand en werp ik Brigitte nog snel een glimlach toe, alsof dat helpt.

De deuren gaan open, en het schelle stemgeluid van mevrouw Geuter doorboort onze oren. Voetstappen stampen over de vloer. We kijken elkaar aan. Brigitte schudt haar hoofd. Ik houd haar hand vast en knijp er zachtjes in. We blijven staan.

‘Mevrouw Geuter, laat mevrouw Kapok los! Núúú!’ Verzorgende Kim rent in blinde paniek achter mevrouw Geuter aan, die zojuist haar medebewoonster uit de stoel heeft getrokken en haar in hoog tempo de gang door sleurt.

‘Naar moeke, aardappels schillen.’

Kim werpt ons een radeloze blik toe. ‘Het gebeurde in een fractie van een seconde, sorry.’

Brigitte schiet haar collega te hulp. Beiden rennen nu achter een marcherende mevrouw Geuter aan, die haar metgezel stevig tegen zich aandrukt. Met haar 89 jaar en nieuwe rechterheup kan mevrouw Kapok haar evenwicht nauwelijks bewaren. Ze hapt naar adem.

Brigitte werpt zich voor hen en grijpt mevrouw Geuter stevig vast. ‘Kijk mij aan. Loslaten. Nu!’

Kim houdt mevrouw Kapok vast en probeert haar los te wurmen. Het lukt.

Mevrouw Kapok laat zich in de armen van Kim vallen, zichtbaar aangeslagen. Zachtjes begint ze te snikken. ‘Help, alsjeblieft. Ooohhh…’

‘Godverredomme, stomme trut! Trut!’ Even lijken de oogbollen van mevrouw Geuter uit haar kassen te schieten, de aderen in haar voorhoofd zwellen op. Ze is furieus en geeft Brigitte een klap op haar arm. ‘Stomme trut.’ Ze raast over de gang, langs de twee plastic stoelen, de ouderwetse schoolplaat aan de wand en een rij gesloten deuren. Bij de badkamerdeur blijft ze staan. Voorzichtig stapt ze naar binnen, waarna felle tl-lampen aanschieten en haar broze lichaam beschijnen. Mevrouw Geuter is broodmager, haar rok en bloes bungelen om haar heen.

Ze kijkt om zich heen. ‘Ik weet niet meer, ik weet niet meer, ik weet niet meer.’

Ze drukt haar borsten tegen de koude muur en begint te lopen. Met haar hand slaat ze hard tegen de witte badkamertegels. Bij de grote spiegel blijft ze staan. Gedurende een korte tijd gebeurt er niks, helemaal niks. Ze staart naar de persoon met het gehavende gezicht, de ingevallen wangen en de verstijfde kaken. Ze kijkt en kijkt, en dan gaan haar mondhoeken heel langzaam een stukje omhoog en verschijnt er een glimlach op haar gezicht, vol ongeloof.

‘Ietje?’ Opgewonden slaat ze paar keer met haar hand op de spiegel. ‘Ietje? Ietje?’ Dan begint ze hard te lachen. ‘Ietje! Frietje!’ Met haar magere vingers strijkt ze over het gezicht. ‘Ik weet niet waar je bent toen ik daar was, Ietje.’

Ze gaat op haar tenen staan en begint de spiegel te kussen. Ik weet even niet wat ik zie. Zo ontroerend. Ze kust haar spiegelbeeld overal. Op het voorhoofd, de wangen. Overal belanden kleine kusjes.

En dan, zomaar ineens, lijkt de onrust het lichaam van deze vrouw te verlaten. Als wanneer een storm gaat liggen en de zon doorbreekt. Verzachting. Ik weet dat ik getuige ben van een bijzonder moment. Rust in het lichaam van de vrouw die roept, schreeuwt, honderden keren per dag achter je aan loopt, die ’s nachts niet slaapt maar als een schim door de gangen van het verpleeghuis trekt. De vrouw die medebewoners uit stoelen trekt, die allerlei spullen van de afdeling weggrist en verstopt. Die haar maaltijden op tafel laat staan om te kunnen lopen, roepen, schreeuwen en grijpen. Deze vrouw kent geen rust, en toch, zoals ze daar nu staat voor de spiegel, lijkt die er heel even te zijn. Het doet mij verlangen meer van zulke momenten te creëren in het leven van mevrouw Geuter en de mensen die dag in, dag uit voor haar zorgen. Het is de reden dat ik in consult ben gevraagd.

En dus ga ik op onderzoek uit. Wie is mevrouw Geuter? We zitten in het kleine kamertje op de hoogste verdieping van het verpleeghuiscomplex: Marieke, de nicht van mevrouw Geuter, Mariekes minstens twintig jaar jongere vriend, en ik.

Marieke vertelt: ‘Mijn tante komt uit een gezin van negen kinderen. Vier zussen, waaronder mijn moeder, en vijf broers. Alle zussen zijn dement geworden, en gek genoeg vertonen ze ook allemaal ongeveer hetzelfde gedrag. Ontzettend onrustig.’

Marieke ziet er jeugdig uit met haar strakke legging, wijde trui en lange bruine haren in een vlecht. Haar vriend draagt een motorpak.

‘Ik heb er dus altijd rekening mee gehouden dat mijn moeder ook dement zou worden. Weet je, even heel simpel, de kans is natuurlijk ook heel groot dat ik het krijg.’

Haar vriend verblikt of verbloost niet. Het moet toch een onaangenaam vooruitzichtzijn, lijkt me. Hij pakt haar hand vast en geeft er een kus op. Dan kijkt hij naar mij. Ik glimlach vriendelijk. Mijn laatste partner was een stukje ouder dan ik, misschien moet ik ook maar eens overstappen naar een jongere editie.

‘Mijn tante kon vroeger al nooit stilzitten, zorgde altijd voor iedereen, maar de onrust is pas echt erg geworden toen ze haar zoon van veertig verloor aan kanker.’ Ze schraapt haar keel en zoekt op tafel naar een glaasje water.

Ik reik het haar aan.

‘Ze heeft hem wekenlang thuis verzorgd, tot aan zijn dood. Darmkanker, hij was totaal uitgemergeld. Ze sliep in de huiskamer op de bank, naast zijn bed. Na zijn overlijden kon ze geen moment meer alleen zijn, ze huilde veel. Ze belde mijn moeder soms wel twintig keer per dag op. Ietje was de enige die haar nog weleens rustig kreeg. Ja, het waren meer hartsvriendinnen dan zussen. Ik denk dat ze heel somber was, en dat dit stilletjes in dementie is overgegaan.’

‘Is ze ooit gediagnostiseerd met een depressie?’ vraag ik.

‘Ze wilde nooit onderzocht worden. Geen polonaise aan het lijf, zo zijn ze allemaal. Niet lullen, maar doorgaan. Mijn tante ging gewoon steeds verder achteruit, tot ze uiteindelijk moest worden opgenomen. Mijn moeder woont nu een verdieping onder haar, maar sinds de dementie kunnen ze niet meer samen. Het ontaardt direct in een fikse ruzie.’

Na drie kwartier nemen we afscheid. Ik ga naar huis en besluit mevrouw Geuter de volgende dag opnieuw te bezoeken.

Wanneer ik mijn telefoon de volgende ochtend aanzet, word ik direct gebeld. Of ik met spoed wil langskomen, het gaat niet goed, de verpleegkundige is ook onderweg. Met de nodige adrenaline in mijn lijf stap ik zo’n tien minuten later de lift in. Heeft ze een medebewoner aangevallen? Is ze gevallen met ernstig letsel tot gevolg? Een aantal scenario’s flitsen door mijn hoofd. De liftdeur gaat open. Ik hoor harde stemmen in de gang. Er wordt geschreeuwd, geschopt, hard gehuild. Er is veel paniek.

‘Houd hem dicht, niet eruit laten! Vasthouden!’

Verzorgenden Emma en Veronique trekken met geweld aan de deurklink van mevrouw Geuter. Vanuit het appartement hoor ik haar stem. Ze schreeuwt, huilt en trapt hard tegen de bruine deur.

‘Nééé, niet doen! Nééé, alsjeblieft. Chris!’

Ik ren er direct opaf. ‘Jongens, wat is er aan de hand?’

Veronique is buiten adem. ‘Ze… ze is door het dolle. Die pop… ze griste hem… uit de handen van mevrouw De Gier. We pakten hem af, en toen heeft ze… Anna een bloedneus geslagen. Zo.’ Veronique maakt een boksbeweging richting haar neus.

Emma vervolgt: ‘We hebben haar met twee personen vastgepakt en op de kamer gezet. Ze is helemaal buiten zinnen. De verpleegkundig specialist is onderweg met medicatie. Ze wordt zo gespoten.’

‘Spuiten, in de zin van platspuiten?’

‘Ja…’

‘Alsjeblieft, klootza… kloot… zakke…’ Mevrouw Geuter ademt zwaar, en even ben ik bang dat ze erin blijft.

Ik moet nu snel handelen: ‘Blijf even staan, ik ga de pop halen.’ Ik ren naar de huiskamer en werp een blik naar binnen.

Mevrouw De Gier zit in de bruine fauteuil bij het raam, met de pop in haar handen geklemd. Ik stap op haar af en ga op mijn knieën voor haar zitten. Zachtjes begin ik te zingen, een tweetal regels uit een kinderversje: ‘Slaap, kindje, slaap, daarbuiten loopt een schaap.’ Met mijn hand strijk ik langs het gezichtje van pop Aniek. ‘Wat lief, hè,’ zeg ik.

Mevrouw De Gier knikt.

Ik daal met mijn neus vervolgens af naar het achterste van de pop. ‘Ach, ze heeft een poepje gedaan. Zal ik haar even voor u verschonen?’

Mevrouw De Gier kijkt mij wat wantrouwend aan en klemt de pop enkel steviger in haar armen.

‘Wat is ze lief, hè,’ zeg ik vol vertedering in mijn stem. Dan ruik ik nog eens aan het poppenkontje en wapper met mijn hand voor mijn neus. ‘Ze heeft een poepje gedaan. Zal ik haar even meenemen en haar een schone luier geven?’

Mevrouw De Gier lijkt mij niet te begrijpen.

Ik kijk rond. Dan sta ik op en ren naar haar appartement. Ik zoek, maar ook hier is geen luier te bekennen. Terug in de huiskamer duik ik de keuken in, open een kastje en haal er een theedoek uit. Ik modelleer hem in de vorm van een luier – ‘Een luier, hier’ – en wijs naar het kontje van de pop. De ogen van mevrouw De Gier lichten op. Ik geloof dat ze mij begrijpt en slaak een zucht van opluchting.

Met de pop in mijn handen ren ik naar het appartement van mevrouw Geuter. Ik wijs naar verzorgende Helen. ‘Richt jij je alsjeblieft op de bewoners in de huiskamer. Doe de deur dicht en zet André Rieu voor hen op, iets harder dan normaal. Misschien dat de viool het geschreeuw van mevrouw Geuter overstemt.’ Dan richt ik mij tot Veronique en Emma. ‘Jullie gaan helemaal aan het einde van de gang staan en blijven daar, goed? Loop in geen geval op mevrouw Geuter af wanneer ze zo de kamer uit komt. Ik spiegel straks haar gedrag. Schrik niet, dit is geacteerd. Ik tel tot drie, en bij drie laten jullie de deur los, oké? Een, twee, drie. Nú loslaten!’

Veronique en Emma laten de deurklink los en rennen naar het einde van de gang. De deur schiet open en ik sta oog in oog met mevrouw Geuter.

‘Klootzak, jullie klootzak… ken.’

Ik doe een aantal stappen achteruit. ‘Klootzakken, weg jullie, klootzakken,’ schreeuw ik al gebarend naar Veronique en Emma. ‘Zijn jullie helemaal gek geworden, laat haar met rust.’ Ik werp hun boze blikken toe.

Mevrouw Geuter kijkt mij aan, en nog één keer geef ik alles wat ik in mij heb. ‘Klootzakken, oprotten jullie. Nu! Ja, jullie!’ Ik wijs druk gebarend naar het einde van de gang.

Mevrouw Geuter blijft huilen en schreeuwen. Ze wil wegrennen.

Ik doe nog een aantal stappen naar achteren en begin al wiegend te zingen voor het popje in mijn armen. ‘Daarbuiten loopt een schaap, een schaap op witte voetjes, die drinkt z’n melk zo zoetjes, slaap kindje slaap…’

Mevrouw Geuter kijkt mij met grote ogen aan. Ze loopt op mij af, blijft even staan, lijkt een slabeweging te maken. Dan grist ze het popje bruusk uit mijn handen.

Ik blijf doorzingen: ‘Daar buiten loopt een schaap, een schaap op witte voetjes.’ Steeds iets kalmer en zachter.

En dan gebeurt het. Mevrouw Geuter begint te wiegen. Ze wiegt en wiegt, en door het ritme van het wiegen wordt ze langzaam rustiger. Ze drukt het popje stevig tegen zich aan. Dan geeft ze het kusjes over het hele lijfje. Het poppengezichtje wordt nat van haar tranen. ‘Mama is hier… altijd… hier… hier.’

Ik krijg een brok in mijn keel en leun tegen de muur.

Twee minuten later komt de verpleegkundige aangerend met de spuit in haar handen.

Mevrouw Geuter wordt regelmatig voorzien van hoge dosissen onrustmedicatie; een aantal minuten later, en ze had haar volgende shot te pakken. De afgelopen anderhalf jaar is er heel wat medicatie bij mevrouw Geuter uitgeprobeerd. Verschillende soorten antidepressiva, antipsychotica en meer. Regelmatig loopt ze hierdoor versuft en vermoeid rond. Uitgeput. Met haar gezicht en lichaam blauw van het vele vallen. Het onbegrepen gedrag wordt niet minder door de medicatie, integendeel, het lijkt enkel erger te worden. Wat ontbreekt in haar begeleiding is een goed benaderingsplan dat de oorzaken van haar gedrag aanpakt en haar zorgverleners houvast geeft in de omgang met mevrouw Geuter.

Mevrouw Geuter vertoont veel roepgedrag, nachtelijke onrust, verliest meer en meer het contact met haar eigen lichaam weigert zorg en maaltijden, en ga zo maar door. Haar verzorgenden raken steeds gefrustreerder. Ze zijn overbelast, boos, verdrietig. Sommige voelen zich waardeloos. Ze zien zichzelf als een slechte verzorgende: ‘Waarom slaag ik er maar niet in haar gedrag te verbeteren?’

In een poging deze gevoelens niet te hoeven voelen, gaan ze mevrouw Geuter steeds meer mijden. Je kunt het begrijpen, ook zij moeten op een psychogeriatrische afdeling zien te overleven. Hiermee verliezen ze echter het allerbelangrijkste: het contact met mevrouw Geuter.

Mevrouw Geuter is meer dan een ‘roeper’, een ‘claimer’, een moeilijk of lastig mens. Ze is een vrouw die intense behoefte heeft aan waardering, geborgenheid en controle, iets wat ze ons op allerlei manieren probeert duidelijk te maken. Het enige wat wij moeten doen, is haar écht als mens zien, in plaats van als probleem, en tegemoetkomen aan de behoeftes die in haar schuilen.

Dat is de sleutel tot een betere wereld voor mevrouw Geuter en al haar zorgverleners.

 

Sarah Blom is samen met haar broers en moeder de bedenker van ‘Psychologie in Theater’. Samen met haar familie zetten ze hun ervaring in de ouderenzorg om in een theaterstuk. Sarah Blom vervult zo niet alleen haar rol als psycholoog en gedragsconsulent, maar ook als theatermaker, schrijver en actrice.

Het is mijn missie als ouderenpsycholoog om de 'binnenwereld' van de mens met dementie, de naaste en zorgprofessional te onthullen. Zodat we met meer begrip en kennis eindeloos véél voor hen kunnen betekenen. Achter het gedrag gaat een rijke belevingswereld schuil. Als we haar kennen, worden de mogelijkheden immens. Door middel van muziek, theater en psychologie neem ik u mee in deze bijzondere wereld. Voor meer info: www.dementieintheater.nl

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back To Top