Bij de dood van mijn tante

MZ opinieVorige week overleed mijn peettante. Ze was ver in de negentig en had een intensief leven achter de rug. Een leven getekend door de oorlog en ontberingen van de wederopbouw, soms met grote zorgen, maar ook met een gelukkig huwelijk en veel liefde van haar vele petekinderen. Haar leven was vol – mijn tante was bijna zestig jaar mantelzorgster – tot de laatste tien jaar. Die waren helemaal leeg.

Mijn peettante had dementie. Toen haar man overleed, werd dat snel veel erger. In de eerste jaren hebben we nog goed voor haar kunnen zorgen. Het netwerk van petekinderen woonde weliswaar ver weg, maar de mensen in haar directe omgeving hielden een oogje in het zeil, tot het niet meer ging. Toen verhuisde ze naar een verpleeghuis. Daar kwamen we vaak langs.

En denk nu niet dat we die beslissing makkelijk genomen hebben, want je weet hoe het daar gaat. Maar we hadden geluk: mijn tante ging naar een top-verpleeghuis. Liefdevolle begeleiding, vierentwintig uur zorg. Wij bleven komen, zo vaak we konden. Maar ze herkende ons steeds minder. Ze was boos, verward, soms agressief. Ze trok zich terug. Het was zo verdrietig. Dat waren de jaren waarin we langzaam afscheid van haar namen. En zij, denk ik, van ons.

Maar haar leven zou nog heel lang duren. Haar dementie verergerde. Na het verlies van haar geheugen, haar kenmerkende stijl, haar gevoelens, raakte ze langzaam haar lichaamsfuncties kwijt. De verplegenden bleven haar liefdevol verzorgen. Ze werd iedere dag met veel persoonlijke aandacht gewassen en gekleed, gevoed (met dingen die ze lekker vond) en ze kwam nog buiten. Ze kreeg lichamelijke oefeningen, deed spelletjes, luisterde muziek. Dat gaf haar waardigheid en houvast, zo lang het kon.

Mijn tante kwam in de laatste fase. Ze herkende niets en niemand meer. Maar ze reageerde op aanrakingen. Op liefde. Wat kon ze nog? Wat wilde ze? We wisten het niet. Ze was als een baby, later nog als een kasplantje. Maar ze werd niet ziek en ze ging niet dood. Tien jaar lang ging ze niet dood. Al die tijd werd ze vol aandacht en respect verzorgd, niets dan lof.

Tijdens haar begrafenis was er plek voor beide delen van haar leven. Eerst ging het over het overgrote stuk waarin ze haar eigen keuzes maakte, waarin ze haar leven dapper en daadkrachtig vormgaf, waarin ze van aanpakken en van lachen hield. 58 jaar was ze getrouwd, en al die tijd zorgde ze vol overgave voor haar man, die in de oorlog blind was geworden. Eigen kinderen heeft ze niet gekregen, maar ze had altijd kinderen onder haar hoede. Mijn tante was een geboren mantelzorgster, in de grootste zin van het woord.

En toen ging het over dat laatste stuk. De lange jaren waarin ze niets meer kon, niets meer dacht. Niets meer wilde. Maar wel heel veel voelde? Haar karakter was door de dementie veranderd, daardoor zagen wij haar de laatste jaren vaak boos en achterdochtig. Maar dat was natuurlijk niet alles. Ze heeft nog jaren gevoeld. Wat had er in die tijd anders gekund?

Mijn peettante wilde leven. Er is dan ook nooit sprake geweest van levensbeëndiging. Door haar eigen gezondheid (ze bleef lichamelijk heel fit), door het feit dat ze in een katholiek verpleeghuis lag, en door de wetten en regels in Duitsland, was daar sowieso geen sprake van.

Maar was het goed zo? Hebben we haar recht gedaan? Wat zou ze zelf gewild hebben? En wat wil ik later?

is journalist, netwerkbouwer, trainer en vertaler. Zij werkt in Nederland en Duitsland op het gebied van media, politiek en zorg.

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Back To Top